vrijdag 24 augustus 2018

De hoop - "Hope" van Emily Dickinson vertaald


 De hoop is iets met veren -
 Dat neerstrijkt in de ziel -
 En sprakeloos een melodie zingt -
 En - niet wijkt van z'n stiel -

 Zijn zoetst - wordt in een hoos gehoord
 En kom eens om de storm -
 Die het kleine vogeltje verstoort
 Dat zovelen heeft verwarmd -

 Ik hoorde het in het kilste land -
 En op de vreemdste zee -
 Al ging ik - tot het uiterste
 Het eiste niets - van mij.

 - Emily Dickinson (vertaling Sjoerd van Hoorn)

zondag 15 juli 2018

Een gedachte over speaker's meaning

In de taalfilosofie was het een tijd een veelbesproken kwestie wat de betekenis van een uitdrukking bepaalt: gaat het om de betekenis die een uitdrukking in een gegeven taal heeft of gaat het om de betekenis die iemand die praat aan de uitdrukking geeft? Linguistic meaning versus speaker's meaning vat de discussie samen.
Een veelgehoorde gedachte, onder andere beargumenteerd door John Searle, is dat wat een spreker met een uitdrukking wil zeggen niet de betekenis van die uitdrukking kan zijn. Ik kan tenslotte iets zeggen in een voor jou vreemde taal waardoor jij denkt dat ik je wil zeggen dat ik een spreker van die taal ben, maar die uitdrukking betekent heel wat anders.
In Searle's voorbeeld zegt een Amerikaanse soldaat tegen een Italiaan 'Kennst du das Land wo die Zitronen blühen?', een dichtregel van Goethe, met de bedoeling de Italiaan te laten denken dat hij een Duitser is. De dichtregel betekent echter helemaal niet dat de spreker een Duitser is, terwijl dat wel zo zou moeten zijn als het idee dat betekenis neerkomt op speaker's meaning juist was.
Searle's argument is eigenlijk nogal vergezocht. Omdat je iemand kunt willen bedriegen door iets te zeggen in een vreemde taal zou wat je wil zeggen uiteindelijk niet de betekenis bepalen. Searle kan echter doorbijten en zeggen dat hij niettemin heeft laten zien dat er een situatie denkbaar is waarin je met een gegeven uitdrukking een ander iets wil laten denken, terwijl iedereen het erover eens zal zijn dat dat niet is wat die uitdrukking betekent.
Wat een uitdrukking betekent is niet wat het subject ermee wil zeggen, zo lijken we te kunnen concluderen. Toch is het omgekeerde meestal wel het geval: wat een spreker met een uitdrukking wil zeggen is wat die uitdrukking betekent. De vraag is dan wat betekenis inhoudt.
Als betekenis geen kwestie van het subject is moet het een eigenschap van een woord of andere uitdrukking op zich zijn. Die mogelijkheid is er ook, er zouden eeuwige platonische ideeën kunnen zijn die de eigenlijke betekenissen van woorden vormen. Die gedachte helpt ons echter niet per se veel verder, want ze roept nogal wat vragen op. Hoe kennen we die betekenissen? Hoe komt het dat verschillende talen heel verschillende begrippen hebben, waardoor een woord in een taal geen equivalent in een andere taal heeft? Zou een primaire platonische betekenis niet voor convergentie van betekenissen moeten zorgen buiten ons om -- maar dat gebeurt niet. Hoe is het mogelijk dat we nieuwe betekenissen vormen? Heeft één taal de echte betekenis van een woord verklankt en geconceptualiseerd en andere talen minder of helemaal niet?
Wellicht moeten we taalbetekenis wel aan het subject toeschrijven. Dat subject kan niet de individuele spreker zijn. Maar waarom zou het subject van betekenis niet de gemeenschap van sprekers zijn? Concreet gezegd, een Nederlands woord betekent wat de meeste sprekers van het Nederlands denken dat het betekent. De betekenis van een woord is het gebruik dat de taalgemeenschap ervan maakt.
Dit idee voorziet in een antwoord aan Searle: Kennst du das Land wo die Zitronen blühen betekent niet 'ik ben een Duitser' omdat de Duitse taalgemeenschap die zin niet zo zal interpreteren. Een spreker van het Duits hoort 'ken je het land waar de citroenen bloeien' omdat hij geleerd heeft dat de woorden die betekenis hebben.
Een vraag die blijft is hoe de woorden een betekenis kunnen hebben die geleerd en doorgegeven kan worden. Hoe is een taalgemeenschap mogelijk? Is er een beantwoordbare vraag naar de aard van betekenis die het genetische, dat wil zeggen de geschiedenis van het gebruik van een woord, te boven gaat of kan semantiek menselijkerwijs alleen maar historische semantiek zijn?

zondag 27 mei 2018

De engel van de geschiedenis


De engel van de geschiedenis (paragraaf IX uit Über den Begriff der Geschichte van Walter Benjamin)

Er is een schilderij van Klee dat Angelus Novus heet. Er staat een engel op afgebeeld die er uitziet alsof hij bezig was zich van iets waarnaar hij staart te verwijderen. Zijn ogen zijn opengesperd, zijn mond staat open en zijn vleugels zijn gespreid. Zo moet de engel van de geschiedenis er uitzien. Hij heeft zijn gelaat naar het verleden gekeerd. Waar er ons een reeks van gebeurtenissen verschijnt daar ziet hij één enkele catastrofe die onophoudelijk puin op puin stapelt en het hem voor de voeten werpt. Hij zou willen verwijlen, de doden opwekken en de uiteen geslagen stukken weer samenvoegen. Maar een storm waait uit het paradijs die zich in zijn vleugels verstrikt heeft en zo sterk is dat hij ze niet meer kan intrekken. Deze storm drijft hem niet aflatend de toekomst in, die hij zijn rug toewendt terwijl de stapel puin vóór hem naar de hemel rijst. Dat wat wij vooruitgang noemen is deze storm.

vrijdag 27 april 2018

Als je oud bent (When You are old) van William Butler Yeats vertaald.


Als je oud bent en grijs en van slaap vervuld,
Pak dan dit boek als je dommelt bij het vuur
Lees langzaam, droom hoe zacht en puur
Je blik vroeger was, door schaduw omhuld;

Jouw momenten van blije gratie zijn door zoveel bemind
Ze beminden je schoonheid met een liefde vals of waar
Slechts één man beminde jouw rusteloze ziel maar,
En beminde ook de treurnis die hij in je trekken vindt.

En als je buigt bij de gloeiende kolen
Fluister dan wat bedroefd hoe Liefde vlucht
En hoe snel ze beent tot voorbij de bergrug
En haar gezicht tussen sterren is verstolen.

(William Butler Yeats, vertaling Sjoerd van Hoorn)


maandag 9 april 2018

Ergens waar ik nooit geweest ben van e.e. cummings vertaald


Ergens waar ik nooit geweest ben, blij voorbij
Elke ervaring hebben jouw ogen hun stilte:
In je breekbaarste gebaar is wat mij omvat
Of wat ik niet bereik  door teveel nabijheid

Je geringste blik ontsluit me zo lichthartig
Hoewel ik mij gesloten heb als vingers
Open jij altijd blaadje voor blaadje mijzelf zoals de lente
Opent (haar vaardig, geheimzinnig beroerend) haar eerste roos

Mocht je wens zijn mij te sluiten, dan zullen ik
En mijn leven ons heel mooi en plots sluiten
Als wanneer het hart van deze bloem zich indenkt
Dat overal behoedzaam sneeuw neerdaalt;

Niets dat we in deze wereld zien evenaart
De kracht van jouw intense breekbaarheid wier textuur
Mij bedwingt met de kleur van zijn landen
Een weergave van dood en eeuwigheid in elke adem

(ik weet niet wat het is aan jou dat sluit
En opent; maar iets in mij begrijpt
Dat de stem van jouw ogen dieper is dan alle rozen)
Niemand, ook de regen niet, heeft zulke kleine handen.

(Vertaling van Somewhere i have never travelled van e.e. cummings)

zaterdag 24 maart 2018

Liefdeslied van Rainer Maria Rilke

Hoe moet ik mijn ziel houden zodat
Ze niet de jouwe raakt? Hoe moet ik haar
Heen tillen over jou naar andere dingen?
Graag zou ik haar in een oord dat
Verloren is in ‘t donker onderbrengen,
Een vreemde stille plek waar
Het niet meezingt als jouw diepten zingen.
Maar al wat ons aanraakt, jou en mij,
Neemt ons samen als een strijk-
Stok die uit twee snaren één stem puurt.
Op welk instrument zijn wij gespannen
Welke violist heeft ons in zijn handen?

O zing zoet uur.

maandag 12 maart 2018

Het portret. Kort verhaal over het meisje in de blauwe jurk van Johannes Verspronck.

Mama heeft mijn jurk al klaargelegd maar ik moet nog buitenspelen. Straks komt meneer Verspronck maar Mama weet niet hoe laat en hij moet eerst met Papa praten. Clara en Susanne hebben nieuwe bikkels zegt Mama. Ik houd mijn gewone jurk maar aan en mijn schort en ik ga naar buiten. Ik woon op de Prinsengracht. Clara en Susanne wonen vlakbij. Ik heb hen ontmoet in de kerk. Het is geen gewone kerk zoals de kerk waar Mineke en Janneke heengaan. We moeten een gewoon huis in en dan door twee deuren en een trap op naar een hele grote zolder waar het altaar staat. Ik kan de mensen in de kerk niet verstaan, vooral niet als meneer pastoor met z’n rug naar ons toestaat en mompelt innoomiemeepaatries. Volgens Papa is het Latijn. Papa verstaat wel Latijn. Frans begrijpt hij ook. Soms praatte hij Latijn en Frans met meneer Dekart die op de hoek woonde toen ik klein was. Meneer Dekart zei altijd koededak klein mesjuh tegen mij. Hij was altijd heel aardig. Nu woont hij in Leiden. Meneer Dekart ging naar dezelfde kerk als wij daarom kennen we hem.
Meneer Verspronck gaat naar net zo’n kerk als wij maar dan in Haarlem. Papa en Mama willen dat meneer Verspronck mij schildert. Ze willen geen schilder uit Amsterdam want die zijn allemaal protestant. Meneer Verspronck heeft leren schilderen van Frans Hals en die is heel goed zegt Papa. Haarlem is ver weg en daarom moet meneer Verspronck met de trekschuit. Ik hoop maar dat hij komt.
De nieuwe bikkels van Clara en Susanne zijn heel mooi. Clara laat ze over het stoepje rollen. We moeten oppassen om op het stoepje te blijven. De oude bikkels van Clara kwamen onder een wagenwiel terecht. Toen waren ze in wel tien stukjes. Net als we druk aan het spelen zijn zie ik een meneer langslopen met achter hem aan twee knechten met een grote kist. ‘Waarom komt dat kind niet gewoon naar mijn atelier?’ mompelt hij. “Dat is meneer Verspronck!” fluistert Susanne. Ik geef mijn vriendinnen een zoen en hol naar huis, door de dienstbodeningang. Ik hoor Papa praten met meneer Verspronck. ‘We zijn blij dat u uit Haarlem wilde komen. Er zijn geen katholieke schilders in Amsterdam. Maakt u alstublieft een elegant portret van onze Maria’ zegt hij. ‘Een elegant en katholiek portret’. Mama pakt me bij mijn arm. Mijn jurk staat klaar op een aankleedpop. Ik zie lichtblauwe stof met goudstiksel en heel veel kant, wel drie lagen. Ik voel de stof. Hij is heel zacht en glad, veel zachter dan mijn speeljurk. Dat lichte blauw en al dat goud en kant! Mijn nieuwe jurk heeft hoepels waar mijn benen zitten, zoiets heb ik nog nooit aangehad.  ‘Mag ik die aan?!’ ‘Ja!’ zegt Mama en ze lacht. ‘Hij zal zo lief staan bij je blonde haar Marietje!’ Eerst moet ik een zacht wit onderjurkje aan. Daarover heen komt de jurk. Ik krijg zelfs parels van Mama om. Ik ben nog nooit zo mooi geweest. Ik loop met Mama mee naar meneer Verspronck, die mij een kus geeft. Het ruikt raar in huis en die geur hangt in de kleren van meneer Verspronck. ‘Het ruikt hier raar!’ zeg ik. ‘Dat is de verf’ zegt meneer Verspronck. ‘Ga daar maar staan’ Ik moet gaan staan schuin tegenover hem, hij staat voor een groot wit doek. ‘Uw dochter is erg schattig, maar misschien heeft u iets dat speciaal voor haar is dat ik erbij kan schilderen?’ Dan haalt Mama iets achter haar rug tevoorschijn. Het is de mooie flamingoveer die Papa heeft gekregen van een Franse meneer. Of ik de veer in mijn handen wil houden. Ja dat wil ik graag.

Johannes Cornelisz. Verspronck - Portret van een meisje in het blauw - Google Art Project.jpg