donderdag 27 oktober 2011
Blogellende
Ik had een stuk geschreven over de Franse filosoof Alain en de vrijheid van meningsuiting.. maar ik heb het verkeerd/niet opgeslagen.. Sorry!
vrijdag 30 september 2011
Twee gedichten
Droef wintergedicht
In december zwijgt de hagel nooit,
zelfs op zonnigere dagen
gromt het weer "hoop niet dat ooit
het licht weer om mijn plek komt vragen
verwacht niet dat de vorst straks dooit".
En voor hem die onverstrooid
op zijn kamer zit te klagen
door het som'bre weer gekooid
schijnt tijd zelf te vertragen.
Verdwenen zijn de snelle dagen
toen je hart het wachten lichter maakte
daar zij om op te wachten was
nu nacht oneindig zonder vragen.
De zee de eerste keer
Ik zeg je jij bent de geur van de bloemen
ik zeg je jij bent de zee de eerste keer
Jou zien is als de zee de eerste keer zien
jou zien is als zoet water na een lange dag
Ik zeg je jij bent de grote ogen
ik zeg je jij bent de grote ogen
boven de sluier.
Ik zeg je jij bent de zee de eerste keer
ik zeg je jij bent het frisse water na de langste dag
Ik zeg je jij bent de grootste ogen
Ik zeg je jij bent het hert in de nacht.
Jou zien is als steeds weer de eerste keer
de zee zien
Jou zien is het zien van het licht tussen de bomen.
In december zwijgt de hagel nooit,
zelfs op zonnigere dagen
gromt het weer "hoop niet dat ooit
het licht weer om mijn plek komt vragen
verwacht niet dat de vorst straks dooit".
En voor hem die onverstrooid
op zijn kamer zit te klagen
door het som'bre weer gekooid
schijnt tijd zelf te vertragen.
Verdwenen zijn de snelle dagen
toen je hart het wachten lichter maakte
daar zij om op te wachten was
nu nacht oneindig zonder vragen.
De zee de eerste keer
Ik zeg je jij bent de geur van de bloemen
ik zeg je jij bent de zee de eerste keer
Jou zien is als de zee de eerste keer zien
jou zien is als zoet water na een lange dag
Ik zeg je jij bent de grote ogen
ik zeg je jij bent de grote ogen
boven de sluier.
Ik zeg je jij bent de zee de eerste keer
ik zeg je jij bent het frisse water na de langste dag
Ik zeg je jij bent de grootste ogen
Ik zeg je jij bent het hert in de nacht.
Jou zien is als steeds weer de eerste keer
de zee zien
Jou zien is het zien van het licht tussen de bomen.
maandag 19 september 2011
Publicatiequotum
Publiceren? Eens in de vijf jaar, niet meer.
In een recente column voor het programma Buitenhof pleitte juriste en schrijfster Naema Tahir tegen de publicatiecultuur die de academische wereld in haar greep houdt. Het gemiddelde wetenschappelijk artikel, aldus Tahir, wordt gelezen door vier mensen, de referenten en de twee beste vrienden van de auteur. Wetenschappelijke artikelen zijn volgens Tahir zelden vernieuwend. De aanleiding voor Tahirs column lag in de pas onthulde fraude van een hoogleraar psychologie, die zijn onderzoeksgegevens zelf verzonnen schijnt te hebben, waardoor hij en een collega in de problemen zijn gekomen. Tahir toonde begrip voor de psychologen, de publicatiedruk in de academische wereld is zo groot dat het heel invoelbaar is dat academici de boel flessen om hun baan te redden, zo Tahir. We keuren het niet goed, maar toch – zo was de teneur.
In een eveneens recente column voor NRCnext schreef classicus en dichter Ilja Leonard Pfeijfer in een soortgelijk register: de academische wereld waarvan hij de zwanenzang nog had meegemaakt, waarin academische vrijheid – onderzoeken wat en wanneer je maar wilde en college geven over wat je maar wilde – de norm was, heeft plaatsgemaakt voor een ratrace waarin academici over elkaar struikelen om maar aan hun ‘targets’ te voldoen. Er is vrijwel geen verschil tussen een bamifabriek en een BaMafabriek, vandaar ook dat managers uit de voedingsindustrie rustig bij een college van bestuur aan de slag kunnen.
Tahir en Pfeijfer hebben dan ook ontegenzeggelijk gelijk, zoals iedereen die vijf minuten rondkijkt op een universiteit zal ontdekken, als hij tenminste geen bewustzijnsvernauwende bedrijfskundige theorieën tot zich genomen heeft.
De huidige universiteit wordt, als het bedrijf dat zij inmiddels is, in lijn met de systeemtheorie beschouwd als een systeem waar bij de input bestaat uit studenten en wetenschappers die binnen twee subsystemen worden omgezet in de output bachelor (spreek uit betsjeller) en master (als in driemaster) in het onderwijs en publicaties in het onderzoek; de kwaliteit ervan blijkt uit de rating van het journal waarin de publicatie verschijnt; als je op de juiste congressen tegen de juiste collega’s aanschurkt en de modieuze opinies binnen de modieuze onderzoeksprogramma’s – een soort kledinglijnen – volgt, dan publiceer je in toptijdschriften en ben je dus een excellente wetenschapper. Excellente wetenschappers zijn overigens niet altijd opinieslaven.
Het punt is eerder dat excellentie en kwaliteit in wezen niets uitstaande hebben met het niveau van het onderzoek of het onderwijs, aangezien excellentie en kwaliteit louter boekhoudkundige noties zijn.
Het is een illusie om te denken dat deze cultuur doorbroken wordt zonder een regelrechte revolutie, aangezien vrijwel het gehele maatschappelijk middenveld van de academische wereld (met name het NWO) en vele hoogleraren teveel te verliezen hebben bij de afbraak van het systeem. Toch zijn er drie heel concrete punten waarmee de wereld die Ilja Leonard Pfeijfer beschrijft, en waarin ik nog gedeeltelijk heb gestudeerd, enigszins kan worden gerecupereerd. Allereerst moet het stelsel van de outputfinanciering verdwijnen: het betalen van universiteiten en hogescholen per behaald studiepunt of diploma zorgt voor een daling van het niveau en vraagt gewoonweg om het soort fraude dat bij InHolland is geconstateerd. Ten tweede moet de financiering van onderzoek rechtstreeks via de faculteiten verlopen en niet via het NWO of andere derde partijen – faculteiten krijgen per leerstoel een budget, te besteden naar eigen inzicht. Ten derde komt er een publicatiequotum, een beperking van het aantal publicaties dat een onderzoeker mág doen.
Ik ga nu alleen op het derde punt in. We publiceren teveel en we publiceren teveel van hetzelfde. We herhalen onszelf voortdurend maar omdat niemand het leest maakt dat niet uit. Maar de wetenschap gaat niet vooruit door herhaling, maar door creativiteit. Creativiteit vereist inzicht en inzicht vereist tijd, tijd die we door de publicatiedruk niet meer hebben, waardoor we steeds herhalen wat we in ons proefschrift ook al zeiden of nog zullen zeggen. In de humaniora komt dit probleem scherper naar voren dan in de natuurwetenschappen, omdat in de natuurwetenschappen, in beperkte mate althans, kan worden voortgeborduurd op vergaarde inzichten, zeker waar het experimenteel onderzoek betreft. In de humaniora bestaan echter geen experimenten of bewijzen; letteren, theologie en filosofie vragen om de gestage ontwikkeling van inzicht. Elke filosoof bijvoorbeeld moet de geschiedenis van de filosofie opnieuw doormaken, er door heen gaan, om ook maar eigen inzichten te kunnen ontwikkelen. Ik weet pas of Aristoteles iets heeft gezegd dat van belang is voor mijn onderzoek naar de waarneming als ik Aristoteles heb gelezen en doordacht en dat is iets heel anders dan dat ik de nieuwste publicatie heb gelezen waarin staat dat Aristoteles volgens de auteur ‘niet meer van deze tijd is’. Ook en literatuurwetenschapper kan zich niet beperken tot het lezen van de laatste artikelen over Pessoa, hij zal de schrijver zelf en de canon van de kritiek moet doorleven. Dat betekent dat het eigenlijk belachelijk is om van iemand voor of net na zijn promotie een stroom aan publicaties te verlangen. Het betekent ook dat iemand die al veel verder is en die aan iets nieuws werkt, daar een periode van ontwikkeling voor beschikbaar moet hebben. De enige die kan bepalen hoe ver hij is, is hij zelf. Een volledig vrije universiteit zou ideaal zijn, maar gezien de getalverslaving van de huidige academische wereld is een meetbaar criterium misschien geen slecht idee. Daarom zou het goed zijn wanneer wetenschappers nog maar éénmaal in de vijf jaar iets móchten publiceren (maar niet móeten publiceren). Ze zouden dan goed moeten nadenken of dit echt wel het boek was dat ze de wereld in wilden sturen, aangezien ze pas over vijf jaar opnieuw iets in druk of op het web of hoe dan ook mochten laten verschijnen. Een publicatiequotum is misschien niet leuk voor de lijstjesmakers en andere boekhouders, maar het zou een zegen zijn voor de academische wereld. Er zou tijd zijn om echt na te denken, te lezen en te schrijven – boeken te schrijven. En om het werk van je collega’s te lezen. Dat is dan waarschijnlijk best aardig.
vrijdag 9 september 2011
Moet iedereen meedoen?
Elke politieke partij voert de leuze dat iedereen moet meedoen. "Meedoen" staat hier voor betaald werk verrichten. Deze arbeidzame leuze is in werkelijkheid louter retoriek voor de mensen in het land, preken voor de parochie van de mentale middenstand, zij die het land beschouwen als een winkel. Waarom tel je pas mee als je werkt? Tel je pas mee als je werkt? Wat is dat eigenlijk, werken? Het is al te makkelijk om er in dit verband vermolmde inzichten over het calvinisme bij te halen: de werkelijkheid is eerder dat de kreet dat iedereen moet meedoen een stervende echo is van een zieltogende heilsgedachte. Wie niet werkt zal geen deel hebben aan de genade van de almachtige verzorgingsstaat; of beter, wie niet "meedoet" verkeert al niet meer in een staat van genade en heeft precies daarom iets uit te leggen aan de verzorgingsstaat -- deze is er namelijk wel, maar het is niet de bedoeling dat er ook een beroep op wordt gedaan.
Ik zal nu niet argumenteren dat er betere dingen om te doen zijn dan werken, al denk ik dat wel en zal ik in een latere post met Marx en Oscar Wilde beweren dat we eigenlijk met z'n allen minder met werk bezig zouden moeten zijn. Hier zal ik slechts de aloude topos memoreren dat het vanuit het kapitalisme zelf niet wenselijk is dat iedereen meedoet. Als iedereen zou meedoen, dan zou de vraag naar arbeid veel groter zijn dan het aanbod en zou de arbeider dus veel meer kosten. Nu is het omgekeerd, het aanbod van arbeid is groter dan de vraag: werkgevers hoeven daarom hun werknemers minder gunstige arbeidsvoorwaarden te bieden dan wanneer voor de werknemer de banen voor het oprapen liggen. Dankzij "werklozen" zijn de arbeidskosten een stuk lager dan bij "full employment" het geval zou zijn. Ik vind ook dat bijstandsgerechtigden van het bedrijfsleven een royale aanvullende uitkering zouden moeten krijgen als erkenning voor hun passieve bijdrage aan de winst van het bedrijf. Blijft over de vraag waarom politieke partijen, die verondersteld kunnen worden het bovenstaande argument (hoewel niet noodzakelijk mijn conclusie) te kennen, toch ad nauseam blijven roepen dat iedereen moet meedoen. Heel eenvoudig, het klimaat is rechts en de "uitkeringstrekker" is een populaire schietschijf voor de rechtse rakkers; wil je als politicus niet als ouderwets (lees: links) of als een mietje overkomen, dan moet je de stoere taal van gewezen voorman Rita Verdonk uitslaan en zeggen dat de schouders eronder moeten. Dat deze kretologie kant nog wal raakt is irrelevant. Nederland, en de "beschaafde" wereld in het algemeen zou er een stuk beter aan toe zijn als we niet zo'n gestresste nadruk op werken zouden leggen; waarom is betaald werken eigenlijk zaligmakend? Mijn quasi-theologische duiding boven is niet alleen maar een stilistische oefening. Er heerst een dogma dat je moet werken, dat wil zeggen iets doen waarvoor je geld krijgt, geeft niet wat als het maar niet tegen de wet is. Maar waarom zou geld verdienen hèt criterium zijn voor zinvol bezig zijn. En omgekeerd, is het eigenlijk wel nodig om arbeid te verrichten om geld te krijgen? Investeerders en bankiers vinden natuurlijk van niet, maar ze kijken wel link uit om te zeggen dat ze door te spelen met het geld dat ù verdient hebt rijk worden. Er zijn evident veel zinvollere bezigheden dan speculeren waar mensen eigenlijk voor zou moeten worden betaald die nu niet als werk gelden: het huishouden doen bijvoorbeeld, kinderen opvoeden, studeren. Een ware feministische èn linkse revolutie zou er in bestaan de bijdragen van honderdduizenden gewone vrouwen en mannen aan de samenleving te erkennen en te belonen in plaats van hypocriete middenstandsretoriek door de ether en over het internet te slingeren. In een volgende post zal ik argumenteren dat we de balans tussen wat we nu werk en vrije tijd noemen heel anders kunnen en moeten leggen.
Ik zal nu niet argumenteren dat er betere dingen om te doen zijn dan werken, al denk ik dat wel en zal ik in een latere post met Marx en Oscar Wilde beweren dat we eigenlijk met z'n allen minder met werk bezig zouden moeten zijn. Hier zal ik slechts de aloude topos memoreren dat het vanuit het kapitalisme zelf niet wenselijk is dat iedereen meedoet. Als iedereen zou meedoen, dan zou de vraag naar arbeid veel groter zijn dan het aanbod en zou de arbeider dus veel meer kosten. Nu is het omgekeerd, het aanbod van arbeid is groter dan de vraag: werkgevers hoeven daarom hun werknemers minder gunstige arbeidsvoorwaarden te bieden dan wanneer voor de werknemer de banen voor het oprapen liggen. Dankzij "werklozen" zijn de arbeidskosten een stuk lager dan bij "full employment" het geval zou zijn. Ik vind ook dat bijstandsgerechtigden van het bedrijfsleven een royale aanvullende uitkering zouden moeten krijgen als erkenning voor hun passieve bijdrage aan de winst van het bedrijf. Blijft over de vraag waarom politieke partijen, die verondersteld kunnen worden het bovenstaande argument (hoewel niet noodzakelijk mijn conclusie) te kennen, toch ad nauseam blijven roepen dat iedereen moet meedoen. Heel eenvoudig, het klimaat is rechts en de "uitkeringstrekker" is een populaire schietschijf voor de rechtse rakkers; wil je als politicus niet als ouderwets (lees: links) of als een mietje overkomen, dan moet je de stoere taal van gewezen voorman Rita Verdonk uitslaan en zeggen dat de schouders eronder moeten. Dat deze kretologie kant nog wal raakt is irrelevant. Nederland, en de "beschaafde" wereld in het algemeen zou er een stuk beter aan toe zijn als we niet zo'n gestresste nadruk op werken zouden leggen; waarom is betaald werken eigenlijk zaligmakend? Mijn quasi-theologische duiding boven is niet alleen maar een stilistische oefening. Er heerst een dogma dat je moet werken, dat wil zeggen iets doen waarvoor je geld krijgt, geeft niet wat als het maar niet tegen de wet is. Maar waarom zou geld verdienen hèt criterium zijn voor zinvol bezig zijn. En omgekeerd, is het eigenlijk wel nodig om arbeid te verrichten om geld te krijgen? Investeerders en bankiers vinden natuurlijk van niet, maar ze kijken wel link uit om te zeggen dat ze door te spelen met het geld dat ù verdient hebt rijk worden. Er zijn evident veel zinvollere bezigheden dan speculeren waar mensen eigenlijk voor zou moeten worden betaald die nu niet als werk gelden: het huishouden doen bijvoorbeeld, kinderen opvoeden, studeren. Een ware feministische èn linkse revolutie zou er in bestaan de bijdragen van honderdduizenden gewone vrouwen en mannen aan de samenleving te erkennen en te belonen in plaats van hypocriete middenstandsretoriek door de ether en over het internet te slingeren. In een volgende post zal ik argumenteren dat we de balans tussen wat we nu werk en vrije tijd noemen heel anders kunnen en moeten leggen.
dinsdag 16 augustus 2011
Intellectuele cultuur in Nederland: een begin.
Blaas ik niet wat hoog van de ivoren toren -- hoezo een begin? Alsof we geen schrijvers, wetenschappers, musici hebben! Natuurlijk hebben we schrijvers, filosofen, misschien zelfs intellectuelen. Het problematische punt is echter dat het voorkomen van dergelijke figuren als het ware een toeval is. Er is in Nederland geen cultuur waarin de condities waarin intellectuelen kunnen bloeien systematisch en institutioneel worden gecultiveerd. Intellectuelen krijgen bij ons hoogstens aandacht als mediafiguren; ze zijn dan een soort derde- of vierde echelon "celebrities" die alleen bekend zijn omdat ze het zo goed doen op de televisie. Een intellectueel in de media is een soort Anna Kournikova: ze schijnt ook te kunnen tennissen. Anders dan bij tennis natuurlijk toch wel het geval is, is er echter nauwelijks ruimte voor een echt intellectueel klimaat. Dat werd bijvoorbeeld goed zichtbaar in het Filosofisch kwintet. Er werden bij dit programma geen filosofen uitgenodigd, want dan zou het te moeilijk en vooral te technisch worden. Er wordt op de tv dagelijks op uiterst technische wijze gesproken over financieën en voetbal, maar zodra het op boekentaal gaat lijken is jargon ineens een bezwaar. Dat heeft niet zozeer met filosofie op zichzelf te maken (voor muziek, geschiedenis, of literatuur kun je iets dergelijks zeggen) als wel met een algemeen gebrek aan waardering en aandacht voor alles dat naar hogere cultuur zweemt.
Dit alles is uiteraard al bekend. Hoe komt dit nu? Het onderwijs zou er iets mee te maken kúnnen hebben. Ook dat is allerminst een onbekend idee. Het schijnt echter wel een ongehoord idee te zijn. Om een waarlijk intellectuele cultuur te krijgen zouden we moeten beginnen het onderwijs radicaal te hervormen. Het onderwijs bij de wortel aanpakken is eenvoudiger dan het lijkt: scholieren en studenten moeten weer boeken lezen. Echte boeken, minstens één per week vanaf de vierde klas. Daarbij moet het normaal worden om te refereren aan de literatuur, de filosofie, de geschiedenis in de politiek en in de maatschappelijke discussie. Het moet om te beginnen afgelopen zijn met de schandelijke nivellering van het Nederlands, waarbij aan universitaire studenten de dt-regel moet worden uitgelegd en hele volksstammen menen dat "hun hebben gewonnen" heel normaal Nederlands is. Op school en universiteit zou wekelijks een essay geschreven moeten worden, zoals op de betere scholen in Groot-Brittannië heel gebruikelijk is. Bij het literatuuronderwijs zouden teksten uit het hoofd moeten worden geleerd: zoals George Steiner niet moe wordt te argumenteren, betekent een passage 'one has learned by heart' een verinnerlijking van een betekenisvol geheel, een tekst die jou leest, dat wil zeggen, eisen aan je stelt. Op het sociale niveau vinden we een soortgelijk verschijnsel: de maatschappij leest het individu. Op dit moment boekhoudt de maatschappij alleen wat het individu qua "targets" haalt, een houding die op haar beurt door veel mensen is geïnternaliseerd: iedereen is zijn eigen accountant. Verantwoording afleggen of transparant zijn wil zeggen, cijfers of portfolio's met reflexieverslagen overleggen aan iemand die je
"prestaties meet". Lezen en gelezen worden is iets heel anders, het betekent betekenisvol kunnen spreken in een referentiekader dat je vrij maakt omdat je geleerd hebt je met kennis van zaken, met literaire diepgang en met stijl uit te drukken. Zo'n op het oog elitaire opvatting van onderwijs en cultuur heeft een veel groter emancipatoir potentieel dan de popcultuur. Het is heel makkelijk om je "te verzetten tegen het systeem" door je te kleden als een soort vogelverschrikker, metalen elementen in diverse lichaamsdelen aan te brengen en mee te blèren met betreurenswaardige electronisch versterkte herrie, om nog maar te zwijgen van het zwelgen in het muzikale glijmiddel dat arrenbie heet, of het bouwputgeluid van de "festivals". Haydn en Heidegger zijn moeilijker, maar bieden uiteindelijk veel meer. Als smaak aangeleerd is, kun je maar beter een goede smaak aanleren. Vanaf de ivoren toren heb je een wijds uitzicht.
Dit alles is uiteraard al bekend. Hoe komt dit nu? Het onderwijs zou er iets mee te maken kúnnen hebben. Ook dat is allerminst een onbekend idee. Het schijnt echter wel een ongehoord idee te zijn. Om een waarlijk intellectuele cultuur te krijgen zouden we moeten beginnen het onderwijs radicaal te hervormen. Het onderwijs bij de wortel aanpakken is eenvoudiger dan het lijkt: scholieren en studenten moeten weer boeken lezen. Echte boeken, minstens één per week vanaf de vierde klas. Daarbij moet het normaal worden om te refereren aan de literatuur, de filosofie, de geschiedenis in de politiek en in de maatschappelijke discussie. Het moet om te beginnen afgelopen zijn met de schandelijke nivellering van het Nederlands, waarbij aan universitaire studenten de dt-regel moet worden uitgelegd en hele volksstammen menen dat "hun hebben gewonnen" heel normaal Nederlands is. Op school en universiteit zou wekelijks een essay geschreven moeten worden, zoals op de betere scholen in Groot-Brittannië heel gebruikelijk is. Bij het literatuuronderwijs zouden teksten uit het hoofd moeten worden geleerd: zoals George Steiner niet moe wordt te argumenteren, betekent een passage 'one has learned by heart' een verinnerlijking van een betekenisvol geheel, een tekst die jou leest, dat wil zeggen, eisen aan je stelt. Op het sociale niveau vinden we een soortgelijk verschijnsel: de maatschappij leest het individu. Op dit moment boekhoudt de maatschappij alleen wat het individu qua "targets" haalt, een houding die op haar beurt door veel mensen is geïnternaliseerd: iedereen is zijn eigen accountant. Verantwoording afleggen of transparant zijn wil zeggen, cijfers of portfolio's met reflexieverslagen overleggen aan iemand die je
"prestaties meet". Lezen en gelezen worden is iets heel anders, het betekent betekenisvol kunnen spreken in een referentiekader dat je vrij maakt omdat je geleerd hebt je met kennis van zaken, met literaire diepgang en met stijl uit te drukken. Zo'n op het oog elitaire opvatting van onderwijs en cultuur heeft een veel groter emancipatoir potentieel dan de popcultuur. Het is heel makkelijk om je "te verzetten tegen het systeem" door je te kleden als een soort vogelverschrikker, metalen elementen in diverse lichaamsdelen aan te brengen en mee te blèren met betreurenswaardige electronisch versterkte herrie, om nog maar te zwijgen van het zwelgen in het muzikale glijmiddel dat arrenbie heet, of het bouwputgeluid van de "festivals". Haydn en Heidegger zijn moeilijker, maar bieden uiteindelijk veel meer. Als smaak aangeleerd is, kun je maar beter een goede smaak aanleren. Vanaf de ivoren toren heb je een wijds uitzicht.
vrijdag 12 augustus 2011
Het einde van de kunst is het begin van de kunst
Iets is kunst als een galeriehouder of andere autoriteit zegt dat het kunst is. Alleen daarom kan een gevonden voorwerp op een voetstuk kunst heten. Hetzelfde geldt voor objecten met een rituele functie, waaronder ook altaarstukken en dergelijke. Daarom is kunstschaatsen ook geen kunst: het is niet gesitueerd in een kunst-context. Hetzelfde geldt voor rituele voorwerpen die nog steeds of vooral als rituele voorwerpen worden beschouwd. Tegelijkertijd is de sociaal vigerende mening over een voorwerp of genre constitutief voor de status die het heeft. Een kunstwerk is maar een kunstwerk voorzover het alszodanig aanvaard wordt door een maatschappij.
Wat heeft zo'n institutionele opvatting nu met het einde van de kunst te maken? Ik denk dat het denken in termen van betekenissen die een groot publiek iets zeiden de kunst in de loop van de twintigste eeuw is losgeweekt van de maatschappelijke context. Schoonheid heeft niets met kunst te maken, zelfs al zijn er ook nu nog mooie kunstwerken. Sterker, schoonheid heeft nooit iets met kunst te maken gehad, zelfs al heeft kunst wel iets met schoonheid van doen gehad. In oudere kunst is schoonheid belangrijk omdat schoonheid belangrijk was in de context van een werk dat we nu uitsluitend nog als kunstwerk kunnen zien. Nu de beeldende kunst als maatschappelijk domein is losgeweekt van de betekenisgevende context is de symbolische waarde in termen van andere domeinen verdwenen: het heilige, het schone enzovoort zijn qua kunst irrelevant omdat kunst nu eenmaal niets met waarden van buiten de kunst meer te maken heeft. Preciezer, waar kunstwerken (schilderijen, beelden enzovoorts) vroeger betekenissen doorgaven uit andere gebieden en deze betekenissen vorm gaven en aldus een religieuze, politieke, sociale of persoonlijke rol speelden, vertolkt de kunst nu alleen zichzelf. Niet omdat ze niets aan andere domeinen zou ontlenen, maar omdat ze in de laatste instantie haar rechtvaardiging allen in zichzelf zoekt. Met het einde van de kunst begint de kunst pas omdat ze pas dan autonoom is: zichzelf de wet geeft. Deze autonomie is echter leeg wanneer ze zich niets wil laten zeggen. De leegheid van de autonomie blijkt precies uit de institutionele aard van de kunst. Of iets kunst is, is een formele kwestie. Maar er is niets dat vorm gegeven wordt, omdat de vorm zich niets geven laat.
In film en muziek is dat net iets anders. Het zou weleens kunnen zijn dat het feit dat film een publiek moet aan spreken de beperking oplegt waarin zich volgens Goethe pas het meesterschap kan tonen. Kijk naar een film als Der Himmel über Berlin.
Wat heeft zo'n institutionele opvatting nu met het einde van de kunst te maken? Ik denk dat het denken in termen van betekenissen die een groot publiek iets zeiden de kunst in de loop van de twintigste eeuw is losgeweekt van de maatschappelijke context. Schoonheid heeft niets met kunst te maken, zelfs al zijn er ook nu nog mooie kunstwerken. Sterker, schoonheid heeft nooit iets met kunst te maken gehad, zelfs al heeft kunst wel iets met schoonheid van doen gehad. In oudere kunst is schoonheid belangrijk omdat schoonheid belangrijk was in de context van een werk dat we nu uitsluitend nog als kunstwerk kunnen zien. Nu de beeldende kunst als maatschappelijk domein is losgeweekt van de betekenisgevende context is de symbolische waarde in termen van andere domeinen verdwenen: het heilige, het schone enzovoort zijn qua kunst irrelevant omdat kunst nu eenmaal niets met waarden van buiten de kunst meer te maken heeft. Preciezer, waar kunstwerken (schilderijen, beelden enzovoorts) vroeger betekenissen doorgaven uit andere gebieden en deze betekenissen vorm gaven en aldus een religieuze, politieke, sociale of persoonlijke rol speelden, vertolkt de kunst nu alleen zichzelf. Niet omdat ze niets aan andere domeinen zou ontlenen, maar omdat ze in de laatste instantie haar rechtvaardiging allen in zichzelf zoekt. Met het einde van de kunst begint de kunst pas omdat ze pas dan autonoom is: zichzelf de wet geeft. Deze autonomie is echter leeg wanneer ze zich niets wil laten zeggen. De leegheid van de autonomie blijkt precies uit de institutionele aard van de kunst. Of iets kunst is, is een formele kwestie. Maar er is niets dat vorm gegeven wordt, omdat de vorm zich niets geven laat.
In film en muziek is dat net iets anders. Het zou weleens kunnen zijn dat het feit dat film een publiek moet aan spreken de beperking oplegt waarin zich volgens Goethe pas het meesterschap kan tonen. Kijk naar een film als Der Himmel über Berlin.
woensdag 3 augustus 2011
het einde van de kunst als descriptieve these
Het einde van de kunst kan al bijna een cliché genoemd worden. Het enige dat vermoeider oogt dan de
stelling dat het afgelopen is met de avant-garde is de avant-garde zelf. Het experiment in de kunst, de breuk met de traditie en het imperatief van de vernieuwing zijn immers zelf tot gebruikelijke praktijk geworden. Revolutie is aan de orde van de dag. Liever gezegd, de orde van de dag wil doorgaan voor revolutie. Geen met diamanten bedekte schedel, vuil bed of groot houten bouwwerk zal ons echter tot fundamentele gedachten over een nieuwe rol van de kunst bewegen. Ideeën van het soort dat kunst opgaat in filosofie kunnen dan ook geen nieuwe opdracht voor de kunsten zijn. Kunst is al een verzameling gestolde concepten geworden.
Iets dergelijks wordt ook zichtbaar in sociale theorieën over kunst, zoals de institutionele theorie. Deze theorie luidt kortweg dat iets kunst is als een museumdirectuer of galeriehouder zegt dat het kunst is. Een afdoende bezwaar hiertegen luidt dat de galeriehouder wel redenen moet hebben om deze verklaring te doen en deze redenen kunnen niet samenvallen met zijn feitelijke uitspraak. Dit bezwaar is echter alleen steekhoudend wanneer de institutionele theorie als een normatieve theorie gezien wordt. Maar ze dient als een descriptieve theorie gezien te worden: kunst is die verzameling van voorwerpen of zaken (gestolde concepten eventueel) die door de kunstwereld tot kunst worden benoemd. Kunst is uit het normatieve domein getild en hoort in de wereld van het feitelijke. Meer hierover in een volgende post.
stelling dat het afgelopen is met de avant-garde is de avant-garde zelf. Het experiment in de kunst, de breuk met de traditie en het imperatief van de vernieuwing zijn immers zelf tot gebruikelijke praktijk geworden. Revolutie is aan de orde van de dag. Liever gezegd, de orde van de dag wil doorgaan voor revolutie. Geen met diamanten bedekte schedel, vuil bed of groot houten bouwwerk zal ons echter tot fundamentele gedachten over een nieuwe rol van de kunst bewegen. Ideeën van het soort dat kunst opgaat in filosofie kunnen dan ook geen nieuwe opdracht voor de kunsten zijn. Kunst is al een verzameling gestolde concepten geworden.
Iets dergelijks wordt ook zichtbaar in sociale theorieën over kunst, zoals de institutionele theorie. Deze theorie luidt kortweg dat iets kunst is als een museumdirectuer of galeriehouder zegt dat het kunst is. Een afdoende bezwaar hiertegen luidt dat de galeriehouder wel redenen moet hebben om deze verklaring te doen en deze redenen kunnen niet samenvallen met zijn feitelijke uitspraak. Dit bezwaar is echter alleen steekhoudend wanneer de institutionele theorie als een normatieve theorie gezien wordt. Maar ze dient als een descriptieve theorie gezien te worden: kunst is die verzameling van voorwerpen of zaken (gestolde concepten eventueel) die door de kunstwereld tot kunst worden benoemd. Kunst is uit het normatieve domein getild en hoort in de wereld van het feitelijke. Meer hierover in een volgende post.
Abonneren op:
Posts (Atom)