maandag 9 januari 2012

Wat is een mening eigenlijk?

Een mening geven is zeggen wat je opvatting over een bepaalde zaak is, wat je ergens van vindt. Een mening is een normatieve uitspraak, het is niet zomaar het geven van een beschrijving van iets maar een poging om te zeggen hoe iets gezien zou moeten worden – ook of vooral als die door de spreker gewenste zienswijze niet die van de addressaat van de mening is. Het geven van een mening wordt dan ook snel een poging tot overtuiging van de lezer, toehoorder of gesprekspartner.
Nu is er iets opmerkelijks aan de hand met het geven van een mening, vooral als dit vrijuit spreken is. Dat is te zien aan de geschiedenis van het Zuid-Italiaanse woord ‘parresia’, dat zoveel als schelden betekent. Het komt van het Attisch Griekse woord ‘parresia’, dat meestal met vrijmoedig spreken wordt vertaald en dat in die vertaling de laatste decennia enige bekendheid heeft gekregen door het werk van Michel Foucault.
Voor de inwoners van het Athene van de vijfde en vierde eeuw voor Christus, de klassieke tijd moest de politieke orde van hun polis (grofweg, stadsstaat) aan twee kenmerken voldoen, iedere burger moest stemrecht hebben en iedere burger moest in het openbaar zijn mening kunnen geven: parresia slaat natuurlijk op het laatste.
Ook bij Plato en Aristoteles zien we de opvatting terugkeren dat het vrijmoedig spreken vaak leidt tot schelden.
Nu lijkt dat niet iets om je druk over te maken. Vertogen over “de toon van het debat” worden ook nogal eens gebagatelliseerd als kleinzielig en niet terzake doend gezeur, overigens vooral door mensen die zelf op hun achterste benen staan als een hun onwelgevallige mening van “de linkse kerk” positief besproken wordt op de televisie. De toon van het debat is kennelijk vooral irrelevant als het niet je eigen toon is, maar populistisch rechts maakt zich maar al te graag druk over de linkse mantel der liefde. Andersmans gras is bij rechts altijd geler.
De wijze waarop je iets zegt, of de toon van het debat als je dat zo wilt zeggen, is allerminst irrelevant. Het is de toon die de muziek maakt. Het is ook de toon die het geven van een mening, dat wil zeggen het verwoorden van een standpunt, verandert in het schelden op degenen die het niet met je eens zijn.
Nu is het niet onmogelijk om een slim en terzake doend argument te verpakken in een kwetsende fillipica. Feit is echter dat de meeste schimpredes alleen maar schimpen en niet redeneren. Of het nu gaat om fact free politics (of soms om het verwijt van fact free politics) of om het in karikaturale soundbites afserveren van een jou onwelgevallige opvatting, er wordt weinig geredeneerd en veel beweerd.
Het gaat mij er dus niet om dat men zich niet bij “de feiten” houdt. Het gaat erom dat men niet voor zijn positie argumenteert, maar steevast uitgaat van iets dat voor de mening van de gewone man gehouden wordt, dan wel een verzameling opvattingen die voor de waarheid van de weldenkende klasse doorgaat – voor de negatieve tegendelen daarvan (populisme, de grachtengordel), geldt hetzelfde. Het eenmaal uitgesproken standpunt geldt als een fait accompli, als een niet te weerspreken uitgangspunt van de discussie. Dat een mening ook een argument vereist komt bij de meeste mensen, ook bij de meeste scribenten, schijnbaar niet op. Dit geldt uiteraard voor politici, maar ook voor columnisten. Of het nu om het beleid van minister Kamp voor sociale zaken gaat, dan wel om het keer op keer opnieuw beleden geloof in de vrije markt, in weerwil van feiten en argumenten wordt de lezer of toehoorder voorgehouden dat hij iets moet vinden omdat de feiten zus of zo zijn (Maar is dat wel zo? Waar blijkt dat dan uit?) of dat het evident is dat zus of zo (terwijl de evidentie een ideologisch geïnterpreteerd gegeven is.)
Zo is het een rechts stokpaardje dat uitkeringsgerechtigden “betaald worden om op de bank te zitten”, terwijl iedereen met enige kennis van de werking van de bijstand weet dat wie recht heeft op bijstand constant achter de vodden gezeten wordt en zich vaak moet onderwerpen aan verregaande inbreuken op zijn privacy. Het woord “bijstandstrekker” is op zichzelf al overduidelijk een frame voor “het deugt niet” en geen neutrale, beschrijvende term. Dat iets dergelijks geldt voor de termen waarmee mensen uit immigrantenmilieu’s worden aangeduid behoeft geen betoog.
Naast het overduidelijke effectbejag van frames is echter ook een appèl aan de feiten niet altijd onschuldig. Als de onderzoeken die aan “de feiten” ten grondslag liggen goed zijn, dan zijn de als feiten gepresenteerde beweringen inderdaad feitelijk waar. Maar in het normatieve rijk van de mening is een feit nooit zomaar een neutraal gegeven. Een bewering over een vermeend feit in de context van een mening heeft altijd een bepaalde bedoeling en betekenis. Een beroep op een feit zonder dat de zin of context van dat feit wordt gegeven, vraagt eigenlijk om kritiek.
Omdat een mening normatief is, betekent dat dat het aandragen van een feit in de context van een mening (als tegengesteld aan een beschrijving) dient om een standpunt kracht bij te zetten. Het is daarom van belang een spreker te vragen vanuit welke waarden hij zegt dat gegeven feiten A en B er zus of zo dient te gebeuren.
Een sprekend voorbeeld vinden we in de gezondheidszorg. We horen al jaren dat deze teveel kost. Nu is ‘teveel’ een normatief begrip. Iemand die “teveel” eet wil misschien wel dik worden. Of de hoge kosten van de gezondheidszorg te hoog zijn, hangt af van de waarde die we aan gezondheid en aan andere wellicht daarmee conflicterende waarden hechten; niets in de feiten of in de cijfers dwingt op zichzelf een keuze af.
Ook de decennialang vooral door links gepropageerde onderwijsvernieuwingen, vraaggestuurd onderwijs, het nieuwe leren, de afbraak van “elitaire” vakken en onderwijsvormen die niet zouden aansluiten bij de leefwereld van de scholier waren door en door normatief: gelijkheid en vrijheid waren de doelen terwijl gelijkheid en vrijheid net zo goed in het onderwijs passen als hardlopen in het diepe. De culturele waarden die het Europese onderwijs hebben gemaakt tot wat in haar hoogtijdagen was, zijn ondoordacht vervangen door waarden uit het bedrijfsleven (management) en politieke ideologie die hebben gemaakt dat kinderen nu minder talig, rekenvaardig en geletterd zijn dan dertig of veertig of vijftig jaar geleden. Maar een verwijzing naar Bildung wordt nog steeds afgedaan als “elitair” of zelfs als “Middeleeuws”, over het algemeen overigens ongehinderd door enige kennis van de Middeleeuwen.
Politici en opiniemakers presenteren hun mening vaak ten onrechte als een feitelijke constatering. Daar ligt aan ten grondslag dat meningen ook op zich al als waardevol worden gezien. Je moet een normatief standpunt innemen op straffe van uitsluiting van de maatschappij of de specifieke cultuur waar je je in beweegt. Of deze mening op feiten en argumenten is gebaseerd en welke waarden er aan ten grondslag liggen, of hoe goed deze waarden en hun verhouding tot de feiten zijn doordacht, wordt als minder relevant gezien. Als echter elke mening even goed is, dan hangt de aandacht of de status die een mening krijgt niet af van de kwaliteit van de mening maar van degene die hem verkondigt (een soundbite van een celebrity is interessanter dan een doorwrocht betoog van een bisschop) of van de schreeuwerigheid waarmee het één of andere gesundes Volksempfinden te berde wordt gebracht. Een blik op Geenstijl of het daaraan gelieerde Pownews is voldoende om te zien dat genuanceerde analyse en een doordacht betoog ten burele van Dominique Weesie niet als de voornaamste kenmerken van meningsvorming worden gezien.
Dat de kattigheden, het geblaat en het geblaf van de zelfbenoemde kampioenen van de vrijheid als leuk of zelfs als bevrijdend worden ervaren vormt nog geen reden om ze ook serieus te nemen. Een publiek proberen te overtuigen van je mening brengt de verantwoordelijkheid met zich mee goede gronden aan te voeren voor wat je te zeggen hebt. Een mening is niet vrijblijvend, ze betekent dat de spreker zich engageert. Engagement vereist redenen, geen ideologische evidenties, laat staan de schreeuwerigheid van de straat – al is dat tegenwoordig vaak hetzelfde.


vrijdag 6 januari 2012

De vrijheid van meningsuiting of wat wij moeten verbieden – een pleidooi voor een taboe

Toen eind december de cartoonist die zich “Gregorius Nekschot” noemde aankondigde dat hij ermee zou stoppen, buitelden de tweets die er schande van spraken over elkaar heen. “Nekschot” zou zijn geboycot en wat erger was, gearresteerd. De vrijheid van meningsuiting was in gevaar. Eigenlijk blijken Nekschots motieven banaler: hij krijgt geen geld meer voor zijn cartoons. “Nekschot” is een man van principes, zij het dat zijn principes economisch van aard zijn.
Eén en ander was voor mij aanleiding om na te denken over de vrijheid van meningsuiting. Had Ernst Hirsch Ballin gelijk toen hij “Nekschot” liet oppakken vanwege zijn tekeningetjes die door moslims als kwetsend werden ervaren? Daar kan ik kort over zijn, als het openbaar ministerie gegronde aanwijzingen had dat die cartoons een gevaar voor de openbare orde vormden, dan wel – zoiets kan door een rechter worden beoordeeld. Anders niet.
Een grotere vragen is of censuur ooit gegrond is. Zo gesteld is het antwoord natuurlijk ja. Een land in oorlog kan zich vaak geen werkelijk vrije pers veroorloven als het om gevoelige informatie gaat. Maar hoe zit dat in een land als Nederland? Zou je hier alles moeten kunnen zeggen? Het antwoord op de vraag of je alles mag zeggen is negatief. Er zijn wetten tegen beledigingen, er is een wet tegen Godslastering. In veel landen is het ook verboden de sjoa te ontkennen en nationaal-socialistische symbolen te tonen. Dergelijke verboden hebben morele en ook socio-politieke redenen. Vandaar de vraag zoals ik hem stelde, zou je alles moeten kunnen zeggen?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we het begrip vrijheid van meningsuiting onderzoeken. Het is een combinatie van twee begrippen, namelijk vrijheid en meningsuiting. De vrijheid is hier een negatieve vrijheid: als ik iets wil zeggen zal mij daarbij niets in de weg gelegd worden. Meningsuiting is wat minder vlug gepreciseerd. Het gaat erom dat ik iets kan uiten, dat wil zeggen openbaar maken. Maar wat is datgene dat ik kan uiten? Het is een mening. ‘Vrijheid van meningsuiting’ is lexicaal genomen dus niet precies hetzelfde als ‘freedom of speech’ zoals dat in Amerika wordt opgevat. Wat dit Amerikaanse begrip nu precies inhoudt is nu niet van belang. Wat hebben wij met de Amerikanen te maken? We do things differently here. Wat hier van belang is, is wat een mening is.
Een mening is een gedachte over iets. Een mening is een bewering over hoe iets is. Hangt een gedachte over hoe iets is wezenlijk samen met de al dan niet kleurrijke vorm waarin deze wordt geuit? Vaak niet. Ik kan met inachtneming van goede omgangsvormen mijn opvattingen over een zaak te berde brengen. Er zijn echter meer retorische vormen beschikbaar dan de feitelijke bewering en de logische redenering. Onder invloed van Theo van Gogh, Geen Stijl en andere kampioenen van wat zij vrijheid noemen hebben deze andere retorische vormen echter de overhand gekregen boven een meer argumentatieve benadering van de kunst van het overtuigen.
Nu is het gebruik van een variëteit aan stijlmiddelen op zich niet laakbaar. Het tegendeel is waar: het verlevendigt het debat als er metaforen, allegorieën en analogieën worden gebruikt; of ironie. Maar de vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles mag zeggen, in de zin dat je welke stijlmiddelen dan ook mag inzetten, omdát je vrij bent om je mening te geven. Als ik vind dat er een republiek moet komen, kan ik dat zeggen, met kritiek op mevrouw de koningin en al, zonder dat ik met onplezierige vergelijkingen of ordinaire invectieven hoef te komen om mijn uitspraken kracht bij te zetten. De vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief om rauwe onderbuikgevoelens uit te laten schetteren boven het orkest van meningen. Ook bij instrumenten die tegen elkaar in spelen is harmonie van belang.
Kan wel wezen, is nu de voor de hand liggende respons, maar wil jij soms bepalen wat door de beugel kan en wat niet? Is niet het probleem precies dat we allemaal soms een beetje last hebben van elkaars gebruik van vrijheid en dat we daarom van elkaar moeten tolereren dat we soms wat mindere plezierige uitspraken doen dan wel nare tekeningentjes publiceren? De lauwe repliek daarop luidt dan weer dat je natuurlijk alles moet kunnen zeggen, maar dat je je moet afvragen of je wel “alles” moet willen zeggen. Ik denk dat het goed is dat we niet alles kunnen zeggen: de schade die sommige uitingen te weeg zouden brengen is gewoon te groot. Bovendien denk ik dat het onderscheid tussen alles kunnen zeggen en alles willen zeggen, in deze discussie een vals onderscheid is. Alles wat gezegd kan worden, in de zin van elke mening die geuit kan worden, kan ook worden gezegd, met argumenten. Het hete hangijzer was veeleer of ook beledigen en kwetsen niet gewoon “moet kunnen”. Sommige mensen zijn weer hierdoor beledigd, andere weer daardoor, zoals Nausikaa Marbé op twitter tegen me zei. Uit het feit dat zekere scribenten, tekenaars en filmmakers feilloos beledigingen wisten te spuien blijkt echter dat wat kwetst en wat niet helemaal niet zo willekeurig is. Vaak weten we prima wat een belediging is en wat niet. Een verbod op beledigen is dan ook geen paardenmiddel, maar een heel redelijke fatsoenseis. In de openbare ruimte mag je vragen om goede manieren. In de kunst is dat anders. Als een cartoonist gelovigen wil afbeelden als mannelijke geslachtsdelen mag hij dat doen; ik hoef zijn tentoonstelling immers niet te zien of zijn catalogus in te kijken. Wat dat betreft is kunst net porno. Maar de openbare ruimte kan ik niet vermijden.
Ook hier is een argument tegen te bedenken: een bewering of analyse kan ook als aanstootgevend worden ervaren, moet deze dan ook niet verboden zijn? Het punt is enigszins terecht. Dat iemand beledigd kan zijn is niet helemaal uit te sluiten; het is echter wel redelijkerwijze uit te sluiten. Er is daarenboven een groot verschil tussen een duidelijk kwetsend bedoelde opmerking – voorbeelden aangaande bijvoorbeeld moslims of homosexuelen kennen we allemaal – en een redenering waar iemand aanstoot aan zou kunnen nemen.
Toch is ook de conclusie dat alle beledigende uitingen zouden moeten worden verboden niet één die ik zomaar wil trekken. Uit naam van een politieke of religieuze overtuiging kan namelijk heel veel tot belediging worden benoemd.  Ook hier is er uiteraard een verschil tussen gegronde kritiek en argumenten en het soort uitingen dat met name als provocatie is bedoeld. Maar is een provocatie altijd laakbaar? Als een scribent op grond van historisch onderzoek beweert dat de PVV een fascistische partij is – nauwelijks een origineel punt,  zou ik trouwens zeggen – of als Hongaarse intellectuelen de Fidèsz regering totalitaire trekken verwijten, dan zijn zulke beweringen natuurlijk óók provocaties. De relevante vraag is dan of de provocerende bewering ook argumentatieve kracht heeft: of hij door feiten en door logica wordt onderbouwd.
Voor mij is de slotsom dat het verbod van bepaalde uitingen in de openbare ruimte heel redelijk is. Bepaalde dingen mag je niet zeggen. Eén en ander is een zaak van enkele voor de hand liggende categorieën, zoals anti-semitisme, belediging op grond van ras, geslacht, geloof of sexuele voorkeur. Dit verbod, dat in de grondwet vastligt, is een taboe. ‘Taboedoorbrekend’ is in mijn ogen echter in de meeste gevallen een diskwalificatie. Afgezien daarvan moet men gewoon zijn gezonde verstand gebruiken en rekening houden met de gevoelens van mensen.

vrijdag 4 november 2011

Waarom in Nederland het engagement ontbreekt


Kunstacademiestudente in Brandpunt “dus die mensen willen iets veranderen. En ze denken dat te bereiken door te protesteren?” Ze had het, uiteraard, over Occupy.
Vast staat tenminste dat de occupiers in Nederland niet staan voor 99% van de bevolking. Maar waarom is dat zo? Zijn de Nederlanders het niet eens met de bezwaren van de demonstranten tegen de exorbitante bonussen, de flagrante onverantwoordelijkheid van de financiële sector, de nietsontziende afbraak van de verzorgingsstaat?
Ik denk dat de meeste mensen hun bezwaren wel degelijk delen. Of beter gezegd, er symphathie voor hebben. Zelf in een tentje op het Beursplein gaan zitten met alle ongewassenheid en wietlucht van dien is echter wat teveel gevraagd. En zolang alleen the usual suspects demonstreren verandert het aanschijn van de demonstranten natuurlijk ook niet. Als het echter zo is dat de meeste mensen de bezwaren van occupy delen, waarom komen ze dan niet zelf om hun eigen grieven een stem te geven?
Waarom stemt het morrende volk eerder op de demagogie van de goed vermomde establishment-man Geert Wilders dan in zee te gaan met de zoveel authentiekere hippies van het Beursplein?
Het antwoord is denk ik dat het volk besluiteloos is. Men weet niet of de verzorgingsstaat wel te redden is, men weet niet of het neo-liberale beleid en de kapitalistische economie nu de redding of de ondergang betekenen. Dus stelt men zijn vertrouwen in iemand die krachtig en besluitvaardig van twee walletjes eet, namelijk Wallstreet en mainstreet. Wilders bewijst lippendienst aan de verzorgingsstaat en steunt ondertussen een keihard neo-liberaal beleid van één van de meest rechtse kabinetten die Nederland ooit gekend heeft.
De mensen in het land zien geen overwegende redenen voor een links of een rechts beleid. Er zijn in overvloed redenen voor een links beleid, voor het behoud van de verzorgingsstaat, voor het maken van de politieke keuze voor de zachte staat: de staat die er voor de burgers is, niet de staat waarin de burger de klant heet te zijn, de klant die verplicht de “diensten” van de staat dient te kopen.
De zachte staat is een politieke keuze. De zachte staat is er één van beschaving, van cultuur, van engagement. Precies dit engagement ontbreekt nu. Door een overvloed aan keuzes en pseudo-keuzes, door een stortvloed aan informatie, door de digitalisering van de wereld die ons tot aan de lippen staat, door een gebrek aan de cultivering van het innerlijk die kiezen pas echt mogelijk maakt, namelijk door te leren met de rede te zien wat er is en met het hart te voelen wat er moet, zijn we niet meer in staat tot engagement.
Engagement veronderstelt kritisch denken, dat wil zeggen, het kunnen maken van onderscheid. Maar je kúnt geen onderscheid maken als je denkt dat de werkelijkheid ons slechts voor voldongen feiten stelt; als dat zo is kun je immers alleen nog doen wat je in het licht van de feiten het meest tot voordeel strekt. Noch de economische, noch de politieke werkelijkheid zijn van die aard. Economie is geen natuurverschijnsel, het is een constellatie van menselijk handelen. Daarmee is de economie gevoelig voor engagement. Als we ons instellen op het maken van een keuze die zich niet door een pseudo-natuurverschijnsel de wet laat voorschrijven, maar die zelf de wet stelt en de economische wetenschap als een instrument ziet om de waarden waar ze vanuit gaat tot werkelijkheid te maken, dan engageren we ons voor een goede zaak en treden we uit de waan van een wereld waar cijfers mensen bepalen.
Een demonstratie kan daarvan een begin zijn. Ook voor studenten van de kunstacademie.

donderdag 27 oktober 2011

Blogellende

Ik had een stuk geschreven over de Franse filosoof Alain en de vrijheid van meningsuiting.. maar ik heb het verkeerd/niet opgeslagen.. Sorry!

vrijdag 30 september 2011

Twee gedichten

Droef wintergedicht

In december zwijgt de hagel nooit,
zelfs op zonnigere dagen
gromt het weer "hoop niet dat ooit
het licht weer om mijn plek komt vragen
verwacht niet dat de vorst straks dooit".

En voor hem die onverstrooid
op zijn kamer zit te klagen
door het som'bre weer gekooid
schijnt tijd zelf te vertragen.

Verdwenen zijn de snelle dagen
toen je hart het wachten lichter maakte
daar zij om op te wachten was
nu nacht oneindig zonder vragen.





De zee de eerste keer

Ik zeg je jij bent de geur van de bloemen
ik zeg je jij bent de zee de eerste keer

Jou zien is als de zee de eerste keer zien
jou zien is als zoet water na een lange dag

Ik zeg je jij bent de grote ogen
ik zeg je jij bent de grote ogen
                         boven de sluier.

Ik zeg je jij bent de zee de eerste keer
ik zeg je jij bent het frisse water na de langste dag

Ik zeg je jij bent de grootste ogen
Ik zeg je jij bent het hert in de nacht.

Jou zien is als steeds weer de eerste keer
de zee zien

Jou zien is het zien van het licht tussen de bomen.

maandag 19 september 2011

Publicatiequotum

Publiceren? Eens in de vijf jaar, niet meer.
In een recente column voor het programma Buitenhof pleitte juriste en schrijfster Naema Tahir tegen de publicatiecultuur die de academische wereld in haar greep houdt. Het gemiddelde wetenschappelijk artikel, aldus Tahir, wordt gelezen door vier mensen, de referenten en de twee beste vrienden van de auteur. Wetenschappelijke artikelen zijn volgens Tahir zelden vernieuwend.  De aanleiding voor Tahirs column lag in de pas onthulde fraude van een hoogleraar psychologie, die zijn onderzoeksgegevens zelf verzonnen schijnt te hebben, waardoor hij en een collega in de problemen zijn gekomen.  Tahir toonde begrip voor de psychologen, de publicatiedruk in de academische wereld is zo groot dat het heel invoelbaar is dat academici de boel flessen om hun baan te redden, zo Tahir. We keuren het niet goed, maar toch – zo was de teneur.
In een eveneens recente column voor NRCnext schreef classicus en dichter Ilja Leonard Pfeijfer in een soortgelijk register: de academische wereld waarvan hij de zwanenzang nog had meegemaakt, waarin academische vrijheid – onderzoeken wat en wanneer je maar wilde en college geven over wat je maar wilde – de norm was, heeft plaatsgemaakt voor een ratrace waarin academici over elkaar struikelen om maar aan hun ‘targets’ te voldoen. Er is vrijwel geen verschil tussen een bamifabriek en een BaMafabriek, vandaar ook dat managers uit de voedingsindustrie rustig bij een college van bestuur aan de slag kunnen.
Tahir en Pfeijfer hebben dan ook ontegenzeggelijk gelijk, zoals iedereen die vijf minuten rondkijkt op een universiteit zal ontdekken, als hij tenminste geen bewustzijnsvernauwende bedrijfskundige theorieën tot zich genomen heeft.
De huidige universiteit wordt, als het bedrijf dat zij inmiddels is, in lijn met de systeemtheorie beschouwd als een systeem waar bij de input bestaat uit studenten en wetenschappers die binnen twee subsystemen worden omgezet in de output bachelor (spreek uit betsjeller) en  master (als in driemaster) in het onderwijs en publicaties in het onderzoek;  de kwaliteit ervan blijkt uit de rating van het journal waarin de publicatie verschijnt; als je op de juiste congressen tegen de juiste collega’s aanschurkt en de modieuze opinies binnen de modieuze onderzoeksprogramma’s – een soort kledinglijnen – volgt, dan publiceer je in toptijdschriften en ben je dus een excellente wetenschapper. Excellente wetenschappers zijn overigens niet altijd opinieslaven.
Het punt is eerder dat excellentie en kwaliteit in wezen niets uitstaande hebben met het niveau van het onderzoek of het onderwijs, aangezien excellentie en kwaliteit louter boekhoudkundige noties zijn.
Het is een illusie om te denken dat deze cultuur doorbroken wordt zonder een regelrechte revolutie, aangezien vrijwel het gehele maatschappelijk middenveld van de academische wereld (met name het NWO) en vele hoogleraren teveel te verliezen hebben bij de afbraak van het systeem. Toch zijn er drie heel concrete punten waarmee de wereld die Ilja Leonard Pfeijfer beschrijft, en waarin ik nog gedeeltelijk heb gestudeerd, enigszins kan worden gerecupereerd. Allereerst moet het stelsel van de outputfinanciering verdwijnen: het betalen van universiteiten en hogescholen per behaald studiepunt of diploma zorgt voor een daling van het niveau en vraagt gewoonweg om het soort fraude dat bij InHolland is geconstateerd. Ten tweede moet de financiering van onderzoek rechtstreeks via de faculteiten verlopen en niet via het NWO of andere derde partijen – faculteiten krijgen per leerstoel een budget, te besteden naar eigen inzicht. Ten derde komt er een publicatiequotum, een beperking van het aantal publicaties dat een onderzoeker mág doen.
Ik ga nu alleen op het derde punt in. We publiceren teveel en we publiceren teveel van hetzelfde. We herhalen onszelf voortdurend maar omdat niemand het leest maakt dat niet uit. Maar de wetenschap gaat niet vooruit door herhaling, maar door creativiteit. Creativiteit vereist inzicht en inzicht vereist tijd, tijd die we door de publicatiedruk niet meer hebben, waardoor we steeds herhalen wat we in ons proefschrift ook al zeiden of nog zullen zeggen. In de humaniora komt dit probleem scherper naar voren dan in de natuurwetenschappen, omdat in de natuurwetenschappen, in beperkte mate althans, kan worden voortgeborduurd op vergaarde inzichten, zeker waar het experimenteel onderzoek betreft. In de humaniora bestaan echter geen experimenten of bewijzen; letteren, theologie en filosofie vragen om de gestage ontwikkeling van inzicht. Elke filosoof bijvoorbeeld moet de geschiedenis van de filosofie opnieuw doormaken, er door heen gaan, om ook maar eigen inzichten te kunnen ontwikkelen. Ik weet pas of Aristoteles iets heeft gezegd dat van belang is voor mijn onderzoek naar de waarneming als ik Aristoteles heb gelezen en doordacht en dat is iets heel anders dan dat ik de nieuwste publicatie heb gelezen waarin staat dat Aristoteles volgens de auteur ‘niet meer van deze tijd is’. Ook en literatuurwetenschapper kan zich niet beperken tot het lezen van de laatste artikelen over Pessoa, hij zal de schrijver zelf en de canon van de kritiek moet doorleven. Dat betekent dat het eigenlijk belachelijk is om van iemand voor of net na zijn promotie een stroom aan publicaties te verlangen. Het betekent ook dat iemand die al veel verder is en die aan iets nieuws werkt, daar een periode van ontwikkeling voor beschikbaar moet hebben. De enige die kan bepalen hoe ver hij is, is hij zelf. Een volledig vrije universiteit zou ideaal zijn, maar gezien de getalverslaving van de huidige academische wereld is een meetbaar criterium misschien geen slecht idee. Daarom zou het goed zijn wanneer wetenschappers nog maar éénmaal in de vijf jaar iets móchten publiceren (maar niet móeten publiceren). Ze zouden dan goed moeten nadenken of dit echt wel het boek was dat ze de wereld in wilden sturen, aangezien ze pas over vijf jaar opnieuw iets in druk of op het web of hoe dan ook mochten laten verschijnen. Een publicatiequotum is misschien niet leuk voor de lijstjesmakers en andere boekhouders, maar het zou een zegen zijn voor de academische wereld. Er zou tijd zijn om echt na te denken, te lezen en te schrijven – boeken te schrijven. En om het werk van je collega’s te lezen. Dat is dan waarschijnlijk best aardig.



vrijdag 9 september 2011

Moet iedereen meedoen?

Elke politieke partij voert de leuze dat iedereen moet meedoen. "Meedoen" staat hier voor betaald werk verrichten. Deze arbeidzame leuze is in werkelijkheid louter retoriek voor de mensen in het land, preken voor de parochie van de mentale middenstand, zij die het land beschouwen als een winkel. Waarom tel je pas mee als je werkt? Tel je pas mee als je werkt? Wat is dat eigenlijk, werken? Het is al te makkelijk om er in dit verband vermolmde inzichten over het calvinisme bij te halen: de werkelijkheid is eerder dat de kreet dat iedereen moet meedoen een stervende echo is van een zieltogende heilsgedachte. Wie niet werkt zal geen deel hebben aan de genade van de almachtige verzorgingsstaat; of beter, wie niet "meedoet" verkeert al niet meer in een staat van genade en heeft precies daarom iets uit te leggen aan de verzorgingsstaat -- deze is er namelijk wel, maar het is niet de bedoeling dat er ook een beroep op wordt gedaan.
Ik zal nu niet argumenteren dat er betere dingen om te doen zijn dan werken, al denk ik dat wel en zal ik in een latere post met Marx en Oscar Wilde beweren dat we eigenlijk met z'n allen minder met werk bezig zouden moeten zijn. Hier zal ik slechts de aloude topos memoreren dat het vanuit het kapitalisme zelf niet wenselijk is dat iedereen meedoet. Als iedereen zou meedoen, dan zou de vraag naar arbeid veel groter zijn dan het aanbod en zou de arbeider dus veel meer kosten. Nu is het omgekeerd, het aanbod van arbeid is groter dan de vraag: werkgevers hoeven daarom hun werknemers minder gunstige arbeidsvoorwaarden te bieden dan wanneer voor de werknemer de banen voor het oprapen liggen. Dankzij "werklozen" zijn de arbeidskosten een stuk lager dan bij "full employment" het geval zou zijn. Ik vind ook dat bijstandsgerechtigden van het bedrijfsleven een royale aanvullende uitkering zouden moeten krijgen als erkenning voor hun passieve bijdrage aan de winst van het bedrijf. Blijft over de vraag waarom politieke partijen, die verondersteld kunnen worden het bovenstaande argument (hoewel niet noodzakelijk mijn conclusie) te kennen, toch ad nauseam blijven roepen dat iedereen moet meedoen. Heel eenvoudig, het klimaat is rechts en de "uitkeringstrekker" is een populaire schietschijf voor de rechtse rakkers; wil je als politicus niet als ouderwets (lees: links) of als een mietje overkomen, dan moet je de stoere taal van gewezen voorman Rita Verdonk uitslaan en zeggen dat de schouders eronder moeten. Dat deze kretologie kant nog wal raakt is irrelevant. Nederland, en de "beschaafde" wereld in het algemeen zou er een stuk beter aan toe zijn als we niet zo'n gestresste nadruk op werken zouden leggen; waarom is betaald werken eigenlijk zaligmakend? Mijn quasi-theologische duiding boven is niet alleen maar een stilistische oefening. Er heerst een dogma dat je moet werken, dat wil zeggen iets doen waarvoor je geld krijgt, geeft niet wat als het maar niet tegen de wet is. Maar waarom zou geld verdienen hèt criterium zijn voor zinvol bezig zijn. En omgekeerd, is het eigenlijk wel nodig om arbeid te verrichten om geld te krijgen? Investeerders en bankiers vinden natuurlijk van niet, maar ze kijken wel link uit om te zeggen dat ze door te spelen met het geld dat ù verdient hebt rijk worden. Er zijn evident veel zinvollere bezigheden dan speculeren waar mensen eigenlijk voor zou moeten worden betaald die nu niet als werk gelden: het huishouden doen bijvoorbeeld, kinderen opvoeden, studeren. Een ware feministische èn linkse revolutie zou er in bestaan de bijdragen van honderdduizenden gewone vrouwen en mannen aan de samenleving te erkennen en te belonen in plaats van hypocriete middenstandsretoriek door de ether en over het internet te slingeren. In een volgende post zal ik argumenteren dat we de balans tussen wat we nu werk en vrije tijd noemen heel anders kunnen en moeten leggen.