woensdag 24 oktober 2018

De misvatting van 'kwaliteitsbeoordeling' in de filosofie

Na al het moois (hoop ik) van mijn vorige blogs nu weer een keer iets kritisch. Naar aanleiding van deze blog op de site Bij Nader Inzien https://bijnaderinzien.org/2018/10/23/waarom-kwaliteitsindicatoren-voor-de-filosofie/ heb ik de onderstaande reactie ingestuurd die op het moment dat ik dit hier plaats (24-10, 13.52) nog wacht op moderatie. Daarom nu vast hier.

Kwaliteitsbeoordeling hoort bij wetenschap stellen de auteurs van dit stuk. Het is ontegenzeggelijk zo dat in elke wetenschap de uitingen van onderzoeken en denken worden beoordeeld. Wetenschap is uit de aard der zaak een kritische, dat wil zeggen, een onderscheidende activiteit. Dat is echter niet hetzelfde als de beoordeling van 'kwaliteit', aangezien dit een boekhoudkundige notie is. Kwaliteit in audits is per definitie iets dat zich laat tellen, omdat audits nu eenmaal alleen over het telbare gaan. Het blijkt ook uit de lijst van kwaliteitsindicatoren: deze is onvermijdelijk formeel en stelt 'kwaliteit' gelijk aan zaken als plaats van publicatie alsof daar geen zaken als vriendjespolitiek, ancienniteit en, heel eenvoudig, mode een rol in spelen. (Mode wordt in de huidige wetenschap overigens gemeenlijk aangeduid als 'onderzoeksprogramma'. Wie buiten zo'n programma valt is niet modieus en doet dus gewoon niet mee: hij of zij komt niet in de "gezaghebbende" tijdschriften en hij komt ook niet langs de leescomité's van "gezaghebbende uitgeverijen.) De auteurs doen smalend over het idee dat 'wijze oude mannen gewoon zien of iets goed is' en vervangen het door het idee dat het afvinken van lijstjes toch gewoon laat zien of iets goed is. Dat zij dit ook nog doen in een halfgeletterd bureaucraten-Engels bevestigt alleen maar het vermoeden dat de opstellers ook bureaucraten geworden zijn.
Dat laatste is eigenlijk het ergste. De opstellers van deze indicatoren (ik kan me er maar moeilijk toe zetten het woord op te schrijven) hebben gebogen voor een logica die wezensvreemd is aan de wetenschap, die een autonome bezigheid is. In de filosofie heeft deze autonomie een bijzonder kenmerk, namelijk dat zij zich niet verdraagt met de notie van een onderzoeksprogramma of paradigma. De filosofie ondervraagt per definitie paradigma's. Aangezien de huidige academische filosofie zich nog bijna uitsluitend in paradigma's beweegt maakt zij zichzelf daarmee het doen van filosofie onmogelijk. (Wie denkt dat ik hier onzin beweer moet bij wijze van spreken eens proberen om, ik noem maar wat, een kritisch artikel over Daniel Dennett in The Journal of Dennett-Studies te krijgen.) Door mee te werken aan de meet- en rekenschapscultuur van organisaties als NWO (waarbij ik cultuur in antropologische zin begrijp) trekken de hooggeleerde heren Düwell, De Haas en Meijers de strop om de hals van de filosofie alleen nog maar een beetje meer aan.

dinsdag 16 oktober 2018

De wilde zwanen bij Coole (The wild swans at Coole van W.B. Yeats)


De wilde zwanen bij Coole - W.B. Yeats

De bomen zijn mooi van herfst,
De bospaden zijn droog,
In de oktoberschemer spiegelt
't water stilte van omhoog;
Op water dat tussen stenen is gegaan
Zwemmen negenenvijftig zwanen.

Dit is de negentiende herfst
Sinds ik voor het eerst telde
Ik zag voor ik goed en wel klaar was
Hoe zij de lucht in snelden
En zich verspreidden in grote gebroken ringen
Op hun vleugels die luid zingen.

Ik heb deze schitterende schepselen gezien
En nu schrijnt mijn hart.
Alles is anders sinds ik in de schemer
Op deze oever voor het eerst
De klokslag van hun vleugels hoorde
En wandelde zonder smart.

Immer onvermoeid, lief naast lief
Peddelen zij in de koude
Vergezelbare stromen of klimmen in de lucht
Hun harten zijn niet oud;
Hartstocht en verovering, die gaan waar zij gaan
Blijven hen bijstaan.

Maar nu drijven zij op het stille water
Geheimzinnig en schoon;
Tussen welke biezen zullen zij bouwen,
Bij de rand van welk meer of ven
Mensenogen verrukken als ik wakker word op een dag
En zij zijn verdwenen met hun vleugelslag?





vrijdag 28 september 2018

Het meisje van Vermeer - gedicht

Meisje met parel

"zolang mensen ademen en ogen zien"

Het was te groot, het juweel aan haar oor,
van het meisje met de parel van Vermeer,
zo zei een wetenschapper op een dag.
Wat was het dan dat de schilder zag
en haar voorzien moest van een onmogelijk juweel?

Hij keek naar haar, haar zachte blik en hoe veel
licht er altijd op haar viel, alsof de warme zon zelf
verliefd op haar werd bij elke straal
en hoe ze haar wild en woelig haar verborg
als ze ging langs de grachten en straten van Delft.

Als hij haar naam noemde, de lange klinker 'i' uitsprak,
zag hij roze-rood, van haar lippen het roze-rood
dat onuitsprekelijk was behalve in haar naam
misschien, haar mond die vroeg om onzegbare
glans van iets onbekends, iets volstrekt nieuws.

het met hermelijn afgezet jak kon het niet zijn
al was het lichte geel ook zo bijzonder,
zo gewild bij de notabelen van Leiden en van Delft
ook de spiegels, weegschalen, zelfs schilderijen voldeden niet
want zij was mooier dan wat kunst kon maken.

Johannes Vermeer keek naar het parelsnoer, ketting
van oestervruchten die zoveel vrouwen had gesierd,
naar de kleine besjes van een glans zachter dan zilver en
blanker dan zilver, fijnzinniger dan goud en diamant
een glans waardoor een meisje straalde

het glanzen van haar roze-rode lippen vroeg 
om meer dan tonen van vermiljoen en wit
het licht in haar ogen om meer dan de kleur van alledag
dan het helderste glas dat de dag kon zien
ze vroeg om ongehoorde glans om onzegbare schittering

en zo vond Vermeer de parel voor zijn meisje
een onmogelijk juweel dat haar schoonheid
haar noodzakelijke glans aan het daglicht brengt
zodat wij al eeuwen haar roze-rode lippen
bewonderen en nog steeds weten hoe mooi zij is.

dinsdag 25 september 2018

September van W.S. Merwin

Als de zon opkomt zijn de kleine uilen
die kletsen bij een rode maan
veranderd in eksters in de essen
rustend tussen reizen
het gras is bedauwd tot de middag
elke dag zwerft de mist meer omhoog
om over de oude heuvel te kijken
en nooit meer weer te keren
maand van ogen die jouw paden zelf zien
je hebt jouw hand gelegd
in mijn hand
het groen van het gebladerte donkert
en drijft weg
de bloemen van de klimop staan open
op de muur van de wezel
de bijen bezoeken hen
de spinnen zien hun buiken
en langs alle kusten
branden schepen van de geest
zonder ruis, zonder rook, zonder vlam
ongezien in het zonlicht
van een dag onder zijn eigen koning

Na de regen van Edward Thomas


Na de regen – Edward Thomas

De regen van een nacht en een dag en een nacht
Houdt op bij het licht
Van de bleke, verstikte dag. De spiekende zon
Ziet wat er is gedaan.
De weg onder de bomen heeft een berm nieuw
Van paarse tint
Binnen een berm van dun helder gras;
Alles dat na november was
Overgebleven aan bladeren is verloren
Afgescheurd van hazelaar, meidoorn
En grotere bomen. In het hele
Bosje is geen dood blad meer dat valt
Op het grijze gras, het groene mos, gebrand-oranje varen,
Bij de terugkomst van de wind:
De blaadjes die vallen van de es
Zijn dun uitgespreid
Op de weg, als ingemaakte zwarte vis
Alsof ze speelden.
Wat hangt aan velerlei takken daar
Zo hard en naakt
Zijn twaalf lieflijke gele appels
Aan elke wilde appelboom
En aan elke boom in het dal
Ontelbare
Kristallen van de regen, donker en helder,
Die weer opnieuw valt.


dinsdag 18 september 2018

The Path van Edward Thomas vertaald

Het paadje

Er loopt langs een heuvel, een vestingwerk
Dat de gelijke weg bewaart voor het hoge bos
Eronder, een paadje. Het wordt gebruikt
Door kinderen om te kijken wat er van de
Gladde steile helling komt tussen de stammen van beuk en taxus
Door tot waar een omgevallen boom het zicht blokkeert –
Terwijl mannen en vrouwen zich tevreden stellen met de weg
En wat ze zien op de heuvel en wat de kinderen zeggen.
Het pad dat slingert als zilver drupt verder,
Omringd en zelfs verdrongen door het dunste mos
Dat tracht wortels en kruimelend krijt te bedekken
Met goud, olijf en smaragd, maar tevergeefs.
De kinderen slijten het af. Ze hebben de heuvel afgevlakt
Aan de top, hem zilverig gemaakt tussen het mos
Met de stroom van hun voeten, jaar na jaar.
Maar de weg is zonder huizen en leidt niet naar de school.
Het komt zelden voor dat je er een kind ziet en het oog
Is slechts op de weg gericht, op het bos dat eroverheen hangt
En eronder gaapt en het paadje dat eruitziet alsof het
Leidt naar een mythische of verzonnen plek, waar mensen
Heen wilden gaan en blijven; tot het, plots, ophoudt waar het bos ophoudt.

Adlestrop van Edward Thomas



Ja ik herinner me Adlestrop --
De naam, want op een middag
Die warm was stopte de sneltrein daar
Onbedoeld. Het was laat in juni.

De stoom siste. Iemand schraapte zijn keel.
Niemand stapte uit of in
Op het kale perron. Wat ik zag
Was Adlestrop -- de naam alleen

En wilgen, wilgenroosjes en gras,
En spirea, en hooiopper droog
Geen greintje minder stil en eenzaam schoon
Dan de wolkjes in de hemel hoog.

En op dat moment zong een merel
Heel dichtbij en om hem heen, flauwer,
Verder en verderweg alle vogels
Uit de Oxfordgauw en de Gloucestergauw.