dinsdag 26 maart 2019

Wandeling

Mijn blik gaat naar de heuvel in het zonlicht
vooruit op de weg waarop ik me net begaf
zo neemt ons in zijn greep wat we niet begrijpen
met een gestalte vol van licht en van ver af,
verandert ons, ook als we zover niet reiken
in dat wat we zijn maar nauwelijks weten
een vlaag van een teken vraagt ons een teken...
terwijl wij alles naast de tegenwind vergeten.


SPAZIERGANG
Schon ist mein Blick am Hügel, dem besonnten,
dem Wege, den ich kaum begann, voran.
So fasst uns das, was wir nicht fassen konnten,
voller Erscheinung, aus der Ferne an—
und wandelt uns, auch wenn wirs nicht erreichen,
in jenes, das wir, kaum es ahnend, sind;
ein Zeichen weht, erwidernd unserm Zeichen . . .
Wir aber spüren nur den Gegenwind.

- Rainer Maria Rilke

woensdag 24 oktober 2018

De misvatting van 'kwaliteitsbeoordeling' in de filosofie

Na al het moois (hoop ik) van mijn vorige blogs nu weer een keer iets kritisch. Naar aanleiding van deze blog op de site Bij Nader Inzien https://bijnaderinzien.org/2018/10/23/waarom-kwaliteitsindicatoren-voor-de-filosofie/ heb ik de onderstaande reactie ingestuurd die op het moment dat ik dit hier plaats (24-10, 13.52) nog wacht op moderatie. Daarom nu vast hier.

Kwaliteitsbeoordeling hoort bij wetenschap stellen de auteurs van dit stuk. Het is ontegenzeggelijk zo dat in elke wetenschap de uitingen van onderzoeken en denken worden beoordeeld. Wetenschap is uit de aard der zaak een kritische, dat wil zeggen, een onderscheidende activiteit. Dat is echter niet hetzelfde als de beoordeling van 'kwaliteit', aangezien dit een boekhoudkundige notie is. Kwaliteit in audits is per definitie iets dat zich laat tellen, omdat audits nu eenmaal alleen over het telbare gaan. Het blijkt ook uit de lijst van kwaliteitsindicatoren: deze is onvermijdelijk formeel en stelt 'kwaliteit' gelijk aan zaken als plaats van publicatie alsof daar geen zaken als vriendjespolitiek, ancienniteit en, heel eenvoudig, mode een rol in spelen. (Mode wordt in de huidige wetenschap overigens gemeenlijk aangeduid als 'onderzoeksprogramma'. Wie buiten zo'n programma valt is niet modieus en doet dus gewoon niet mee: hij of zij komt niet in de "gezaghebbende" tijdschriften en hij komt ook niet langs de leescomité's van "gezaghebbende uitgeverijen.) De auteurs doen smalend over het idee dat 'wijze oude mannen gewoon zien of iets goed is' en vervangen het door het idee dat het afvinken van lijstjes toch gewoon laat zien of iets goed is. Dat zij dit ook nog doen in een halfgeletterd bureaucraten-Engels bevestigt alleen maar het vermoeden dat de opstellers ook bureaucraten geworden zijn.
Dat laatste is eigenlijk het ergste. De opstellers van deze indicatoren (ik kan me er maar moeilijk toe zetten het woord op te schrijven) hebben gebogen voor een logica die wezensvreemd is aan de wetenschap, die een autonome bezigheid is. In de filosofie heeft deze autonomie een bijzonder kenmerk, namelijk dat zij zich niet verdraagt met de notie van een onderzoeksprogramma of paradigma. De filosofie ondervraagt per definitie paradigma's. Aangezien de huidige academische filosofie zich nog bijna uitsluitend in paradigma's beweegt maakt zij zichzelf daarmee het doen van filosofie onmogelijk. (Wie denkt dat ik hier onzin beweer moet bij wijze van spreken eens proberen om, ik noem maar wat, een kritisch artikel over Daniel Dennett in The Journal of Dennett-Studies te krijgen.) Door mee te werken aan de meet- en rekenschapscultuur van organisaties als NWO (waarbij ik cultuur in antropologische zin begrijp) trekken de hooggeleerde heren Düwell, De Haas en Meijers de strop om de hals van de filosofie alleen nog maar een beetje meer aan.

dinsdag 16 oktober 2018

De wilde zwanen bij Coole (The wild swans at Coole van W.B. Yeats)


De wilde zwanen bij Coole - W.B. Yeats

De bomen zijn mooi van herfst,
De bospaden zijn droog,
In de oktoberschemer spiegelt
't water stilte van omhoog;
Op water dat tussen stenen is gegaan
Zwemmen negenenvijftig zwanen.

Dit is de negentiende herfst
Sinds ik voor het eerst telde
Ik zag voor ik goed en wel klaar was
Hoe zij de lucht in snelden
En zich verspreidden in grote gebroken ringen
Op hun vleugels die luid zingen.

Ik heb deze schitterende schepselen gezien
En nu schrijnt mijn hart.
Alles is anders sinds ik in de schemer
Op deze oever voor het eerst
De klokslag van hun vleugels hoorde
En wandelde zonder smart.

Immer onvermoeid, lief naast lief
Peddelen zij in de koude
Vergezelbare stromen of klimmen in de lucht
Hun harten zijn niet oud;
Hartstocht en verovering, die gaan waar zij gaan
Blijven hen bijstaan.

Maar nu drijven zij op het stille water
Geheimzinnig en schoon;
Tussen welke biezen zullen zij bouwen,
Bij de rand van welk meer of ven
Mensenogen verrukken als ik wakker word op een dag
En zij zijn verdwenen met hun vleugelslag?





dinsdag 25 september 2018

September van W.S. Merwin

Als de zon opkomt zijn de kleine uilen
die kletsen bij een rode maan
veranderd in eksters in de essen
rustend tussen reizen
het gras is bedauwd tot de middag
elke dag zwerft de mist meer omhoog
om over de oude heuvel te kijken
en nooit meer weer te keren
maand van ogen die jouw paden zelf zien
je hebt jouw hand gelegd
in mijn hand
het groen van het gebladerte donkert
en drijft weg
de bloemen van de klimop staan open
op de muur van de wezel
de bijen bezoeken hen
de spinnen zien hun buiken
en langs alle kusten
branden schepen van de geest
zonder ruis, zonder rook, zonder vlam
ongezien in het zonlicht
van een dag onder zijn eigen koning

Na de regen van Edward Thomas


Na de regen – Edward Thomas

De regen van een nacht en een dag en een nacht
Houdt op bij het licht
Van de bleke, verstikte dag. De spiekende zon
Ziet wat er is gedaan.
De weg onder de bomen heeft een berm nieuw
Van paarse tint
Binnen een berm van dun helder gras;
Alles dat na november was
Overgebleven aan bladeren is verloren
Afgescheurd van hazelaar, meidoorn
En grotere bomen. In het hele
Bosje is geen dood blad meer dat valt
Op het grijze gras, het groene mos, gebrand-oranje varen,
Bij de terugkomst van de wind:
De blaadjes die vallen van de es
Zijn dun uitgespreid
Op de weg, als ingemaakte zwarte vis
Alsof ze speelden.
Wat hangt aan velerlei takken daar
Zo hard en naakt
Zijn twaalf lieflijke gele appels
Aan elke wilde appelboom
En aan elke boom in het dal
Ontelbare
Kristallen van de regen, donker en helder,
Die weer opnieuw valt.


dinsdag 18 september 2018

The Path van Edward Thomas vertaald

Het paadje

Er loopt langs een heuvel, een vestingwerk
Dat de gelijke weg bewaart voor het hoge bos
Eronder, een paadje. Het wordt gebruikt
Door kinderen om te kijken wat er van de
Gladde steile helling komt tussen de stammen van beuk en taxus
Door tot waar een omgevallen boom het zicht blokkeert –
Terwijl mannen en vrouwen zich tevreden stellen met de weg
En wat ze zien op de heuvel en wat de kinderen zeggen.
Het pad dat slingert als zilver drupt verder,
Omringd en zelfs verdrongen door het dunste mos
Dat tracht wortels en kruimelend krijt te bedekken
Met goud, olijf en smaragd, maar tevergeefs.
De kinderen slijten het af. Ze hebben de heuvel afgevlakt
Aan de top, hem zilverig gemaakt tussen het mos
Met de stroom van hun voeten, jaar na jaar.
Maar de weg is zonder huizen en leidt niet naar de school.
Het komt zelden voor dat je er een kind ziet en het oog
Is slechts op de weg gericht, op het bos dat eroverheen hangt
En eronder gaapt en het paadje dat eruitziet alsof het
Leidt naar een mythische of verzonnen plek, waar mensen
Heen wilden gaan en blijven; tot het, plots, ophoudt waar het bos ophoudt.

Adlestrop van Edward Thomas



Ja ik herinner me Adlestrop --
De naam, want op een middag
Die warm was stopte de sneltrein daar
Onbedoeld. Het was laat in juni.

De stoom siste. Iemand schraapte zijn keel.
Niemand stapte uit of in
Op het kale perron. Wat ik zag
Was Adlestrop -- de naam alleen

En wilgen, wilgenroosjes en gras,
En spirea, en hooiopper droog
Geen greintje minder stil en eenzaam schoon
Dan de wolkjes in de hemel hoog.

En op dat moment zong een merel
Heel dichtbij en om hem heen, flauwer,
Verder en verderweg alle vogels
Uit de Oxfordgauw en de Gloucestergauw.