zondag 25 februari 2018

Literatuurblog: bespreking van L’homme surnuméraire van Patrice Jean.

Franse literatuur: bespreking van L’homme surnuméraire van Patrice Jean, Parijs, Rue Fromentin, 2017, 275 pp, 20 euro


De gewone man is in de hedendaagse literatuur geen zeer geziene mensensoort. Onder het motto write what you know gaan schrijvers vaak liever in op het milieu dat ze kennen, dat van hoger opgeleide, bij voorkeur bijzondere mannen en vrouwen. Literatuur gaat over mensen zoals wij, Ons Soort Mensen zoals HP/De Tijd het vroeger uitdrukte. De gewone man is niet erg interessant, helemaal niet als hij ook nog blank en heteroseksueel is. De gewone man is een beetje overbodig. Hij is l’homme surnuméraire, zoals de titel luidt van de nieuwste roman van Patrice Jean. Eén van de twee hoofdpersonages van Jean is Serge Le Chenadec, een vrij kleurloze makelaar. Le Chenadec wordt vanwege zijn kleurloosheid en fantasieloosheid geminacht door zijn vrouw en kinderen. Zij raken verzeild in meer intellectuele milieus met achterlating van Le Chenadec. Langzaamaan kruipt het gif van de minachting ook in de manier waarop hij naar zichzelf kijkt. Als zijn vrouw hem bedriegt met een Engelse literatuurwetenschapper en hem dit vrij schaamteloos vertelt vlucht Le Chenadec naar zijn ouders. Daar legt hij het aan met de hulp in de huishouding, een oud-klasgenote, die het lycée echter niet heeft afgemaakt en in hun geboortedorp is gebleven. Hun aarzelende verhouding dooft uiteindelijk als een trieste nachtkaars uit.
Het verhaal van Le Chenadec blijkt een roman te zijn die een motief vormt in het leven van de tweede hoofdpersoon van Patrice Jean, Clément Artois. Clément is een werkloze dertiger met vage literaire aspiraties. Zijn geliefde is een heel aantrekkelijk meisje, Lise, lerares Frans op een middelbare school. Tot Cléments intense irritatie en jaloezie knoopt Lise een vriendschap aan met de flitsende literatuurwetenschapper Alexandre Corvec en zijn vrouw. We zijn getuigen van Cléments waandenkbeelden over wat Corvec met Lise van plan zou zijn en andersom.
Clément heeft een heel positieve indruk van L’homme surnuméraire, de roman van Lise’s kennis Patrice Horlaville, in tegenstelling tot Alexandre Corvec, die het een naar conservatief boek vindt. De wending in het leven van Clément komt als Corvec hem voorstelt aan uitgeverij Langlois, waar Clément als redacteur de politiek incorrecte elementen uit de klassieken van de wereldliteratuur moet vervangen door stukken die wel “humanistisch aanvaardbaar” zijn. Geen seks en geweld, racisme, kolonialisme, misogynie, homofobie, of beter, wat daar in de ogen van Cléments superieuren bij de uitgeverij voor door gaat. Eén van zijn superieuren is de filosoof Etiènne Weil, een cynische homoseksueel die zijn diepgevoelde liefde voor literatuur en filosofie als een verloren zaak beschouwt en daarom op retorisch virtuoze wijze de politieke correctheid in de literatuur verdedigt.
Clément vat een vriendschap op voor Weil met wie hij eigen een door hem zelf ontkent cynisme deelt.
Het fonds met herschreven klassieken wordt een enorm succes terwijl het met Cléments relatie met Lise steeds meer bergafwaarts gaat vanwege zijn kleinzielige paranoia en verbale agressie naar Lise’s professorale vrienden. De uitgeverij besluit ook hedendaagse romans te gaan zuiveren, waaronder L’homme surnuméraire. Patrice Horlaville krijgt het voorstel zijn roman zelf van een ander einde te voorzien. Uiteindelijk doet hij dat ook, maar op verrassende wijze.
Serge Le Chenadecs lamlendigheid maakt hem eerder tot een meelijwekkend dan tot een heel boeiend personage terwijl Cléments kleinzielige paranoia maakt hem tot een weinig sympathiek personage maakt, maar het verhaal van L’homme surnuméraire en de genadeloze satire van de mores van hoger opgeleid Frankrijk maken het boek toch meeslepend.
Patrice Jean werpt een onbarmhartig licht op de narcistische bekommernissen van literatuurwetenschappers en sociologen, vooral bezig met hun imago en de maatschappelijke status van hun theorieën maar met weinig begrip voor literatuur en het leven zelf. Een veelzeggende metafoor is Cléments theorie van de mammografie. Stel je een jongen en een meisje voor die verliefd zijn, stelt Clément. De jongen, noemen we hem Roméo bemint het meisje, noemen we haar Juliette, hij kijkt met liefde, verwondering en begeerte naar haar borsten. Hij liefkoost ze. Juliette laat een mammografie maken. De onderzoekende arts beschouwt haar borsten als klierweefsel, als een object om te onderzoeken. Wie heeft er nu de meest werkelijke kennis van de borsten van Juliette, de arts met zijn feitelijke kennis of Roméo, de minnaar? Volgens Clément zijn schrijvers minnaars terwijl literatuurwetenschappers artsen zijn.
Patrice Jean staat duidelijk aan de kant van Clément. Hij schaart zich daarmee aan de zijde van een aantal Franse fenomenologen, die, in navolging van Maurice Merleau-Ponty stellen dat “de wetenschap de dingen wil manipuleren maar ervan af ziet hen te bewonen” (Oog en geest).

Het zuiveren van de klassieken waar Clément net zo goed als Étienne Weil, Alexandre Corvec en Langlois zelf aan meewerkt, is een vorm van social engineering. Het is de literaire variant van het manipuleren van de dingen dat Patrice Jean door middel van de metafoor van de mammografie aanklaagt. De klassieken laten de werkelijkheid in al haar complexiteit zien, L’homme surnuméraire is vermoedelijk geen literaire klassieker, maar het is wel een roman die de bekommernissen van “overbodige mannen” als Serge Le Chenadec en Clément Artois in het weinig flatteuze led-licht van het contrast met zelfingenomen gevestigde hoger opgeleiden plaatst. Het opmerkelijke is dat Patrice Jean zich daarmee inhoudelijk gezien in de kritische traditie van mensen als Pierre Bourdieu en Chantal Jaquet plaatst, terwijl hij zich zowel in zijn roman als in interviews in de Franse media tegen deze sociologische traditie keert. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten